Donne, John‎ > ‎

Holy Sonnet II


II

Op grond van vele rechten geef ik mij
Aan u, mijn God, want eerst werd ik gemaakt
Door u, voor u, en na mijn val tot kwaad
Kocht uw bloed dat, wat u bezat, weer vrij;
Ik ben uw zoon, een zon, die door u schijnt,
Uw knecht, wiens straf en pijn u ondergaat,
Uw schaap, uw beeld, en tot mijn groot verraad,
Een tempel, waar uw Geest te gast kon zijn;
Wat moet die Duivel met zijn duivelsspel,
Rooft en bedoezelt hij niet zo uw recht?
Tenzij u komt en voor uw erfdeel vecht,
Oh, mijn hoop kwijnt, als ik dit aanzie, snel:
    U houdt van mensen, maar kiest niet voor mij,
    En Satan haat mij, maar laat mij niet vrij.
II

As due by many titles I resigne
My selfe to thee, O God, first I was made
By thee, and for thee, and when I was decay'd
Thy blood bought that, the which before was thine;
I am thy sonne, made with thy selfe to shine,
Thy servant, whose paines thou hast still repaid,
Thy sheepe, thine Image, and, till I betray'd
My selfe, a temple of thy Spirit divine;
Why doth the devill then usurpe on mee?
Why doth he steale, nay ravish that's thy right?
Except thou rise and for thine own worke fight,
Oh I shall soone despaire, when I doe see
    That thou lov'st mankind well, yet wilt'not chuse me,
    And Satan hates mee, yet is loth to lose mee.
Comments