069

Sonnet 69

Wat je ons zien laat aan bevalligheid,

Is mooier dan men voor de geest kan halen;

Recht uit de ziel roemt elke tong dit feit,

Die naakte waarheid, zelfs voor je rivalen.

Jouw uiterlijk wordt openlijk geëerd;

Maar juist de tongen die je nu zo loven,

Worden gemeen van toon, zodra ze meer

Van jou te weten komen dan de ogen.

Zij speuren dieper in je ziel en trachten

Je roem te meten aan je doen en laten.

Zo lief hun oog, zo lomp zijn hun gedachten,

Die van jouw bloem een stinkend onkruid maken.

Waarom zo'n stank bij zoveel heerlijkheid?

De grond is dit: jij woelt je in het slijk.

Sonnet 69

Those parts of thee that the world's eye doth view

Want nothing that the thought of hearts can mend;

All tongues, the voice of souls, give thee that due,

Uttering bare truth, even so as foes commend.

Thy outward thus with outward praise is crown'd;

But those same tongues, that give thee so thine own,

In other accents do this praise confound

By seeing farther than the eye hath shown.

They look into the beauty of thy mind,

And that in guess they measure by thy deeds;

Then, churls, their thoughts, although their eyes were kind,

To thy fair flower add the rank smell of weeds:

But why thy odour matcheth not thy show,

The soil is this, that thou dost common grow.