006

Sonnet 6

Dus vang je eigen zomer in kristal

Vóór hij door winterklauwen wordt geschaad.

Bewaar je schat, opdat hij groeien zal,

Voordat hij zelf zijn rijkdom sterven laat.

Het is geen woeker als je rijkdom loont,

Zolang het velen vrucht en vreugde geeft.

Zo wordt jouw vrucht genoten door een zoon;

En tienmaal meer als je in tien herleeft.

En jouw geluk neemt evenredig toe,

Als je jezelf tienmaal hebt voortgebracht.

Wat doet uiteindelijk de dood ertoe,

Wanneer je voortleeft in je nageslacht.

Jij bent toch mooi, dus geef niet eigenwijs

Jezelf aan wormen, gun de dood geen prijs.

Sonnet 6

Then let not winter's ragged hand deface,

In thee thy summer, ere thou be distilled:

Make sweet some vial; treasure thou some place

With beauty's treasure ere it be self-killed.

That use is not forbidden usury,

Which happies those that pay the willing loan;

That's for thy self to breed another thee,

Or ten times happier, be it ten for one;

Ten times thy self were happier than thou art,

If ten of thine ten times refigured thee:

Then what could death do if thou shouldst depart,

Leaving thee living in posterity?

Be not self-willed, for thou art much too fair

To be death's conquest and make worms thine heir.