119

Sonnet 119

O, wat een brouwsel van sirenen-tranen,

Gemengd in duivelskolven, dronk ik ooit;

Bij al mijn angst heb ik mijn hoop gedaan en

Hoop bij angst, en zo mijn winst vergooid.

O, wat schandalig zondigde mijn hart,

Al waande het zich vol van zaligheid;

Wat zijn mijn ogen koortsig en verward

En gek geworden van krankzinnigheid.

Maar het is waar: gezegend is de zonde,

Die steeds het beste uit het goede brouwt.

Zo groeit de liefde, schoner, meer verbonden,

Wanneer zij na verwoesting wordt herbouwd.

Zo keer ik terug bij wie mijn liefste is;

Het kwaad vergoedt drievoudig mijn gemis.

Sonnet 119

What potions have I drunk of Siren tears,

Distilled from limbecks foul as hell within,

Applying fears to hopes, and hopes to fears,

Still losing when I saw myself to win!

What wretched errors hath my heart committed,

Whilst it hath thought itself so blessed never!

How have mine eyes out of their spheres been fitted,

In the distraction of this madding fever!

O benefit of ill! now I find true

That better is by evil still made better;

And ruined love, when it is built anew,

Grows fairer than at first, more strong, far greater.

So I return rebuked to my content,

And gain by ill thrice more than I have spent.