009 Good Friday

Goede Vrijdag


O Hoogste Goed,

Wat kan ik lezen uit uw bloed?

Hoe weet ik wat men met U deed,

En hoe u leed?


Had U veel pijn,

Zoveel als er belagers zijn?

Eén ster toen U geboren bent,

Veel bij Uw end?


Geeft vallend blad

Veel smart in ‘t najaar, of kan dat,

Zoals de druif, een teken zijn

Van goede wijn?


Laat mij doorstaan,

Eén smart per uur van mijn bestaan,

Zodat Uw leed mijn deel zal zijn,

Als zonneschijn.


Of liever: laat

Mijn zonden bloeden voor hun kwaad;

Zodat mijn zonde, als een beest,

Zichzelf geneest.


Heer, met Uw bloed beschrijft men echt

Uw smart, Uw bloederig gevecht;

Mijn hart kent kamers, als verblijven,

Met inkt en zonde, om te schrijven

Als zonde zijn belagers ziet,

Uw gesels, spijkers, Uw verdriet,

Misschien dat zonde dan verzucht:

'Geen plaats voor mij', dat hij dan vlucht.

En als de zonde dan vertrekt,

Vul met genade weer die plek;

Om ’t kwaad geen moed en kans te geven

Te schaden wat er is geschreven.

Good Friday


O my chief good,

How shall I measure out thy blood?

How shall I count what thee befell,

And each grief tell?


Shall I thy woes

Number according to thy foes?

Or, since one star show'd thy first breath,

Shall all thy death?


Or shall each leaf,

Which falls in Autumn, score a grief?

Or cannot leaves, but fruit be sign

Of the true vine?


Then let each hour

Of my whole life one grief devour:

That thy distress through all may run,

And be my sun.


Or rather let

My several sins their sorrows get;

That as each beast his cure doth know,

Each sin may so.


Since blood is fittest, Lord to write

Thy sorrows in, and bloody fight;

My heart hath store, write there, where in

One box doth lie both ink and sin:

That when sin spies so many foes,

Thy whips, thy nails, thy wounds, thy woes

All come to lodge there, sin may say,

'No room for me', and fly away.

Sin being gone, oh fill the place,

And keep possession with thy grace;

Lest sin take courage and return,

And all the writings blot or burn.