Sonnet 103
Ach, wat een armoe brengt mijn Muze voort,
Terwijl er zoveel moois te wachten ligt;
En 't onderwerp alleen al meer bekoort
Dan mèt de stralenkrans van mijn gedicht.
Verwijt mij niet dat ik niet meer kan schrijven;
Kijk in je spiegel, kijk jezel'f aan;
Zie waar mijn woorden ver bij achterblijven;
Mijn stomme woorden, waar ik mij voor schaam.
Zou het niet zondig zijn als ik probeer
Wat mooi is met mijn lofzang te verlagen?
Want in mijn verzen kan ik niet veel meer
Dan spreken van je gratie en je gaven.
En meer, veel meer nog dan mijn liefdeslied
Toont jou de spiegel, als je daarin ziet.
Sonnet 103
Alack! what poverty my Muse brings forth,
That having such a scope to show her pride,
The argument all bare is of more worth
Than when it hath my added praise beside!
O! blame me not, if I no more can write!
Look in your glass, and there appears a face
That over-goes my blunt invention quite,
Dulling my lines, and doing me disgrace.
Were it not sinful then, striving to mend,
To mar the subject that before was well?
For to no other pass my verses tend
Than of your graces and your gifts to tell;
And more, much more, than in my verse can sit,
Your own glass shows you when you look in it.