141 Self-condemnation

Zelfveroordeling


U die de Joodse haat bestreed,

Want U had Barrabas, de moordenaar,

En niet de Heer gedood;

Keer terug nu in uw stede,

Roep terug uw oog (het reist zo veel en vaak):

U heeft die keuze ook.


Wie liefde vindt, zonder bezwaar,

In aards genot boven het Christenkoor,

Is als een Jood die kiest:

De wereld is een moordenaar;

Duizenden zielen zijn vernietigd door

Haar toverachtig lied.


Wie ‘n slecht huwelijk heeft gehad

Tussen zijn ziel en goud, en liever rijk

Dan trouw is bij zijn dood,

Deed waar hij ooit zo tegen was,

Want hij verkocht zijn Heer voor slijk,

En is een Judas-Jood.


Er zal geen Oordeelsdag meer zijn,

Wij spreken recht. Wat kwaad en hartstocht eens

Verduisterden tot nu,

Wordt licht, wanneer dat snuif verdwijnt,

Helder en klaar, zelfs bij veroordeling,

En zonder één excuus.

Self-condemnation


Thou who condemnest Jewish hate,

For choosing Barrabas a murderer

Before the Lord of glorie;

Look back upon thine own estate,

Call home thine eye (that busie wanderer):

That choice may be thy storie.

He that doth love, and love amisse,

This worlds delights before true Christian joy,

Hath made a Jewish choice:

The world an ancient murderer is;

Thousands of souls it hath and doth destroy

With her enchanting voice.


He that hath made a sorrie wedding

Between his soul and gold, and hath preferr’d

False gain before the true,

Hath done what he condemnes in reading:

For he hath sold for money his deare Lord,

And is a Judas-Jew.


Thus we prevent the last great day,

And judge our selves. That light, which sin & passion

Did before dimme and choke,

When once those snuffes are ta’ne away,

Shines bright and cleare, ev’n unto condemnation,

Without excuse or cloke.