Donne, John‎ > ‎

Hymn to God the Father



        Hymne aan God de Vader

Vergeef de zonden die in dit bestaan
Aan het begin mij zijn gegeven, Heer.
Vergeef de zonden die ik heb begaan,
En die ik steeds bega ook, keer op keer.
En doet U dat, dan is het niet gedaan,
                Want er is meer.

Vergeef wat anderen hebben misdaan,
Door mij: ik bracht ze tot die zonden, Heer.
Vergeef de zonden die ik kon weerstaan,
Misschien voor één of twee jaar, maar niet meer.
En doet U dat, dan is het niet gedaan,
                Want er is meer.

Mijn zonde is de vrees dat dit bestaan
Aan ’t einde ophoudt bij een oever, Heer.
Verzeker mij dat daar uw Zon zal staan
Zo stralend licht als nu en als weleer.
Want doet U dat, dan is alles gedaan:
                Ik vrees niet meer.
        Hymn to God the Father

Wilt Thou forgive that sin where I begun,
Which was my sin, though it were done before?
Wilt Thou forgive that sin, through which I run,
And do run still, though still I do deplore?
When Thou hast done, Thou hast not done,
                For I have more.

Wilt Thou forgive that sin which I have won
Others to sin, and made my sin their door?
Wilt Thou forgive that sin which I did shun
A year or two, but wallowed in a score?
When Thou hast done, Thou hast not done,
                For I have more.

I have a sin of fear, that when I have spun
My last thread, I shall perish on the shore ;
But swear by Thyself, that at my death Thy Son
Shall shine as he shines now, and heretofore ;
And having done that, Thou hast done ;
                I fear no more.
Comments