Donne, John‎ > ‎

Holy Sonnet VII

VII

Laat uit de hoeken van het wereldrond
Bezuinen klinken, engelen, verrijs,
Opdat die niet te tellen zielenrij,
Weer terug in hun verspreidde hulzen komt;
Een ieder die verbrand is of verdronk,
Gedood door oorlog, armoe, ziekte, strijd,
Door noodlot, rechtspraak of wanhopigheid,
Die God zag en die nooit de doodssmart vond.
Maar laat hen rusten, Heer, en laat mij rouwen;
Want zou mijn zonde dit te boven gaan,
Dan kan ik straks niet op uw gunst vertrouwen,
Als ik daar ben. Leer in mijn laag bestaan
    Mij nu berouw, want dat is net zo goed
    Als dat u mij vergaf, Heer, met Uw bloed.
VII

At the round earth's imagined corners blow
Your trumpets, angels, and arise, arise
From death, you numberless infinities
Of souls, and to your scattered bodies go ;
All whom the flood did, and fire shall o'erthrow,
All whom war, dea[r]th, age, agues, tyrannies,
Despair, law, chance hath slain, and you, whose eyes
Shall behold God, and never taste death's woe.
But let them sleep, Lord, and me mourn a space ;
For, if above all these my sins abound,
'Tis late to ask abundance of Thy grace,
When we are there. Here on this lowly ground,
    Teach me how to repent, for that's as good
    As if Thou hadst seal'd my pardon with Thy blood.
Comments