153 The Banquet

Het feestmaal


Welkom, zoet en heilig maal

Zo sacraal,

Bij me, in me opgeslagen;

Want het lekkers trof mijn blik,

Toen heb ik

Het geproefd en uitgedragen.


O die zoetheid maakt mijn ziel

Weer als nieuw,

Goddelijk kan goddelijk zijn!

Smelt een ster (ver van zijn plek)

Daarin weg,

Zoals suiker smelt in wijn?


Of heeft zoetheid in het brood

Ons genood,

Brengt een kwade geur naar binnen;

Bloem en gist en smaakstof geven

Al hun leven

Waardoor vijand niet kan winnen?


Sterren niet, noch bloemenpracht

Heeft de macht

Om met zoet ons te omringen

Enkel God kan dat; En Hij

Nodigt mij,

Om mijn hart zo te doordringen.


Ook al is wierook en hout

Niet echt fout,

Toch wordt Uw geur meer geteld;

God, die toont hoezeer Hij mint

Almaar wint,

Wordt, gebroken, voorgesteld.


Toen ‘k mijn herkomst was vergeten,

En beneden

In de aardse lust verdronk

Nam God bloed, en morste zo

Mijn genot

En vond mij zo op de grond.


Daarna trok Hij mij omhoog

Liet mijn oog

Kijken in een kelk en Hij

Schiep, want ik was klein en slecht,

En ver weg,

Uit de wijn vleugels voor mij.


Daarmee ga ik op de vlucht,

Door de lucht;

Droog mijn ogen, traan voor traan

En dan zie ik: daar is Hij

Die voor mij

Zo veel dingen heeft gedaan.


‘t Wonder van zijn medelij

Geldt voor mij,

En doordringt mijn zin en leven;

En ervaar als dood ons tart

Hand en hart;

Streef er naar, en min het streven.

The Banquet


Welcome sweet and sacred cheer,

Welcome deare;

With me, in me, live and dwell:

For thy neatnesse passeth sight,

Thy delight

Passeth tongue to taste or tell.


O what sweetnesse from the bowl

Fills my soul,

Such as is, and makes divine!

Is some starre (fled from the sphere)

Melted there,

As we sugar melt in wine ?


Or hath sweetnesse in the bread

Made a head

To subdue the smell of sinne;

Flowers, and gummes, and powders giving

All their living,

Lest the Enemy should winne ?


Doubtlese, neither starre nor flower

Hath the power

Such a sweetnesse to impart:

Onely God, who gives perfumes,

Flesh assumes,

And with it perfumes my heart.


But as Pomanders and wood

Still are good,

Yet being bruis’d are better sented:

God, to show how farre his love

Could improve,

Here, as broken, is presented.


When I had forgot my birth,

And on earth

In delights of earth was drown’d;

God took bloud, and needs would be

Spilt with me,

And so found me on the ground.


Having rais’d me to look up,

In a cup

Sweetly he doth meet my taste.

But I still being low and short,

Farre from court,

Wine becomes a wing at last.


For with it alone I flie

To the skie:

Where I wipe mine eyes, and see

What I seek, for what I sue;

Him I view,

Who hath done so much for me.


Let the wonder of his pitie

Be my dittie,

And take up my lines and life:

Hearken under pain of death,

Hands and breath;

Strive in this, and love the strife.