158 Death

Dood


Jij, Dood, was ooit een lomp afschuwelijk iets,

Alleen maar been,

Een wenend resultaat van ween;

Een open mond, maar zingen kon je niet.

Over zes jaar, zo zagen wij geschrokken,

Of tien misschien,

Is er geen leven meer te zien,

Het vlees is stof, de beenderen zijn stokken.


We zagen schelpen daar opzij, versteend,

Omhulsels van

De vlugge zielen, een restant,

Droog stof, dat tranen maakt, maar zelf niet weent.

Maar door de zegening van Christus bloed

In jouw gezicht,

Werd je weer mooi en helder licht,

Word je gevraagd en ziet men je als goed.


Want op de Laatste Oordeelsdag ben jij

Weer blij en mooi;

En elke ziel is nieuw getooid,

Jouw beenderen gehuld in prachtkledij.

Dus zien we dood als slaap, en stoppen wij

Half ons bezit

In een betrouwbaar graf of kist,

Met hoofdkussens van eierdons of klei.

Death


Death, thou wast once an uncouth hideous thing,

Nothing but bones,

The sad effect of sadder grones;

Thy mouth was open, but thou couldst not sing.

For we consider’d thee as at some six

Or ten yeares hence,

After the losse of life and sense,

Flesh being turn’t to dust, and bones to sticks.


We lookt on this side of thee, shooting short;

Where we did finde

The shells of fledge souls left behinde,

Dry dust, which sheds no tears, but may extort.

But since our Saviours death did put some bloud

Into thy face;

Thou art grown fair and full of grace,

Much in request, must sought for as a good.


For we do now behold thee gay and glad,

As at dooms-day;

When souls shall wear their new aray,

And all thy bones with beautie shall be clad.

Therefore we can go die as sleep, and trust

Half that we have

Unto an honest faithfull grave;

Making our pillows either down, or dust.