078 Prayer (II)

Gebed II


Wat bent U toch, mijn Lieve Heer,

Toegankelijk! Wat wij U toevertrouwen

Bereikt onmiddelijk Uw oor!

Gemak spoort goed met hoogheid, blijkt maar weer

Als ik mijn oog maar open, komt het door;

U sterft nog liever dan U doof te houden.


En wat almachtig is de kracht

Waarmee Uw arm van oost tot west regeert,

En ‘t centrum met de rand verbindt!

Voor alles is een tijdsduur aangebracht;

Wij kunnen iets niet vragen, wat niet is,

Omdat lichtvaardigheid ons dan blameert.


Wat mateloos bent U vervuld

Van ware liefde, want U was bereid,

Ons vlees en onze vloek te dragen,

En voor ons heil droeg U ook onze schuld,

Het slot werd van Uw schatkist weggeslagen,

Zo kwam de weg vrij naar vrijgevigheid!


Dus wachten op Uw troon gedrieën:

Gemak en Kracht en Liefde; en ik zeg,

Zou ik iets van die drie verliezen,

Tot rijkdom, gaven, deugd en faam: “Ga weg”;

Want als ik voor gebed als waarde kies,

Win ik een el voor elke duim verlies.

Prayer II


Of what an easie quick accesse,

My blessed Lord, art thou! how suddenly

May our requests thine eare invade!

To shew that state dislikes not easinesse,

If I but lift mine eyes, my suit is made:

Thou canst no more not heare, then thou canst die.


Of what supreme almightie power

Is thy great arm, which spans the east and west,

And tacks the centre to the sphere!

By it do all things live their measur’d houre:

We cannot ask the thing, which is not there,

Blaming the shallownesse of our request.


Of what unmeasurable love

Art thou possest, who, when thou couldst not die,

Wert fain to take our flesh and curse,

And for our sakes in person sinne reprove,

That by destroying that which ty’d thy purse,

Thou mightst make way for liberalitie!


Since then these three wait on thy throne,

Ease, Power, and Love; I value prayer so,

That were I to leave all but one,

Wealth, fame, endowments, vertues, all should go;

I and deare prayer would together dwell,

And quickly gain, for each inch lost, an ell.