Sonnet 43
Als ik mijn ogen sluit, zie ik het meest,
Omdat ik overdag het mooiste mis;
Maar dromend haal ik jou steeds voor mijn geest:
Een duister licht verlicht de duisternis.
Jouw schim maakt alle schimmen helder licht.
O, als jij zelf verschijnt, wat stralend zou
Het daglicht zijn, nu ik met ogen dicht
Jouw schim zo helder stralend al aanschouw.
En wat een zegen, zeg ik, zou het zijn
Als ik je in het levend licht zag komen,
Nu in de zwarte nacht jouw schim al schijnt
Voor mijn verblinde ogen, in mijn dromen.
Totdat jij komt, zijn alle dagen grauw,
En nachten helder, als ik droom van jou.
Sonnet 43
When most I wink, then do mine eyes best see,
For all the day they view things unrespected;
But when I sleep, in dreams they look on thee,
And darkly bright, are bright in dark directed.
Then thou, whose shadow shadows doth make bright,
How would thy shadow's form form happy show
To the clear day with thy much clearer light,
When to unseeing eyes thy shade shines so!
How would, I say, mine eyes be blessed made
By looking on thee in the living day,
When in dead night thy fair imperfect shade
Through heavy sleep on sightless eyes doth stay!
All days are nights to see till I see thee,
And nights bright days when dreams do show thee me.