046 Frailtie

Zwakte


Heer, merk hoe ik in stilte diep veracht,

Wat trouw soms ziet

Als rijkdom, roem of mooie ogenpracht;

‘t Is stof, meer niet!

Ik noem dat het vergulde stro,

Mooi leem, fijn gras of hooi;

Bij alles denk ik dat ik bij het gaan,

Daarop zal staan.


Maar als ik beide zie: het wereldrijk

Naast Uw terrein:

Het Uwe met zijn eenvoud, simpelheid

Het ander fijn,

Vol glorie in een mooi gewaad

Zwierig in woord en daad

Dan stijgt het stof, heel snel omhoog

Beneemt het oog.


O duld niet dat, datgene waar ik nu

Mijn voet op zet,

De vreugde hoont, die zozeer hoort bij U,

Die één is met

Mijn ziel, gewond door liefdespijn;

Het kan een Babel zijn,

De hemel winnen met ook U daarbij,

Geplant in mij.

Frailtie


Lord, in my silence how do I despise

What upon Trust

Is styled honour, riches, or fair eyes;

But is fair dust!

I surname them guilded clay,

Deare earth, fine grasse or hay;

In all, I think my foot doth ever tread

Upon their head.


But when I view abroad both Regiments;

The worlds, and thine:

Thine clad with simplenesse, and sad events;

The other fine,

Full of glorie and gay weeds,

Brave language, braver deeds:

That which was dust before, doth quickly rise,

And prick mine eyes.


O brook not this, lest if what even now

My foot did tread,

Affront those joyes, wherewith thou didst endow

And long since wed

My poore soul, ev’n sick of love:

It may a Babel prove

Commodious to conquer heav’n and thee

Planted in me.