1 september 1939
Ik zit in één van die kroegen
In de twee-en-vijftigste straat
Vol angst en onzekerheid,
Door de eerloze laatste tien jaar
Mijn hoop op beter kwijt;
Golven van woede en angst
Cirkelen over de aarde,
Over lichte en duistere landen,
En krijgen ons in hun macht;
De afschuwelijke stank van de dood
Bevuilt de septembernacht.
Door nauwgezet onderzoek kan
Aan het licht worden gebracht
Welk kwaad vanaf Luther tot nu
De cultuur heeft dolgedraaid,
Wat er gebeurd is in Linz,
Welk droombeeld heeft geleid
Tot die psychopatische god:
Maar ik en iedereen weet,
En het wordt ook op school verteld,
Dat geweld, tegen iemand gebruikt
Wordt beantwoord met geweld.
De banneling Thucydides
Wist over democratie
Al wat je erover kunt zeggen,
Wat de dictators doen,
De nonsens die zij herhalen
Tot een apathisch graf;
Alles staat in zijn boek:
Het einde van de verlichting,
Het pijnverslaafde bestaan,
Het wanbeleid en het verdriet:
Wij moeten het weer ondergaan.
De wolkenkrabbers tonen,
In deze neutrale lucht,
Met hun volle lengte de kracht
Van de Collectieve Mens;
Elke taal zoekt tevergeefs
Naar een overtuigend excuus;
Maar wie kan er lang bestaan
In een euforische droom;
We blijven ze zien in de spiegel,
Het gezicht van het imperialisme
En het wereldwijde kwaad.
Aan de bar klampen gezichten
Zich vast aan een doorsnee dag:
Nooit stoppen mag de muziek
Nooit uitgaan mogen de lichten,
Gewoontes zweren samen
Om van dit fort iets te maken
Met het meubilair van thuis;
Zodat niemand weet waar we zijn,
Verdwaald in het bos zijn wij,
Kinderen bang in het donker,
Nooit gelukkig geweest of blij.
Het hol militant geschreeuw
Van beroemdheden is minder wreed
Dan ons eigen verlangen ooit is;
Wat Nijinski, die dwaze man,
Schreef over Daghilev
Geldt immers voor iedereen:
Want elke vrouw of man
Hunkert tot in het bot
Naar wat hij niet krijgen kan:
De liefde van allen en niet
Dat er maar één van je houdt.
Uit het behoudende donker
Rijden de spitsuurforensen
Naar het morele bestaan,
En herhalen hun ochtendbelofte:
'Ik zal trouw zijn aan mijn vrouw,
En mijn best doen op mijn werk.'
En hulploze bazen staan klaar
Om hun dwingende spel te hervatten:
Wie kan hen nu verlossen,
Wie kan de doven bereiken,
Wie spreekt voor wie dat niet kan?
Al wat ik heb is een stem
Om de leugen te laten zien,
De leugen van romantiek
In het hoofd van de man met de pet
En de leugen van het Gezag
Met zijn torens tot hoog in lucht:
Er is niet zoiets als een Staat
En niemand leeft voor zichzelf;
Door honger bestaat er geen keuze
Voor burgers en dienders: we moeten
Elkander beminnen of sterven.
De aarde ligt zonder bescherming
Verdoofd in de donkere nacht;
Toch flitsen ironische lichtjes,
In wolken verspreid, aan en uit
Zodat wij de boodschappen sturen
Rechtvaardigen onder elkaar.
Mag ik, die evenals zij
Uit Eros en Stof is gemaakt,
En die net zo wordt ondermijnd
Door wanhoop en loochening,
Een vlam zijn die krachtig schijnt
September 1, 1939
I sit in one of the dives
On Fifty-second Street
Uncertain and afraid
As the clever hopes expire
Of a low dishonest decade:
Waves of anger and fear
Circulate over the bright
And darkened lands of the earth,
Obsessing our private lives;
The unmentionable odour of death
Offends the September night.
Accurate scholarship can
Unearth the whole offence
From Luther until now
That has driven a culture mad,
Find what occurred at Linz,
What huge imago made
A psychopathic god:
I and the public know
What all schoolchildren learn,
Those to whom evil is done
Do evil in return.
Exiled Thucydides knew
All that a speech can say
About Democracy,
And what dictators do,
The elderly rubbish they talk
To an apathetic grave;
Analysed all in his book,
The enlightenment driven away,
The habit-forming pain,
Mismanagement and grief:
We must suffer them all again.
Into this neutral air
Where blind skyscrapers use
Their full height to proclaim
The strength of Collective Man,
Each language pours its vain
Competitive excuse:
But who can live for long
In an euphoric dream;
Out of the mirror they stare,
Imperialism's face
And the international wrong.
Faces along the bar
Cling to their average day:
The lights must never go out,
The music must always play,
All the conventions conspire
To make this fort assume
The furniture of home;
Lest we should see where we are,
Lost in a haunted wood,
Children afraid of the night
Who have never been happy or good.
The windiest militant trash
Important Persons shout
Is not so crude as our wish:
What mad Nijinsky wrote
About Diaghilev
Is true of the normal heart;
For the error bred in the bone
Of each woman and each man
Craves what it cannot have,
Not universal love
But to be loved alone.
From the conservative dark
Into the ethical life
The dense commuters come,
Repeating their morning vow;
'I will be true to the wife,
I'll concentrate more on my work,'
And helpless governors wake
To resume their compulsory game:
Who can release them now,
Who can reach the dead,
Who can speak for the dumb?
All I have is a voice
To undo the folded lie,
The romantic lie in the brain
Of the sensual man-in-the-street
And the lie of Authority
Whose buildings grope the sky:
There is no such thing as the State
And no one exists alone;
Hunger allows no choice
To the citizen or the police;
We must love one another or die.
Defenseless under the night
Our world in stupor lies;
Yet, dotted everywhere,
Ironic points of light
Flash out wherever the Just
Exchange their messages:
May I, composed like them
Of Eros and of dust,
Beleaguered by the same
Negation and despair,
Show an affirming flame