Sonnet 68
Zo toont zijn wang de pracht van beter dagen,
Zoals een bloem die bloeit en weer vergaat,
Voordat die bastaardmode werd gedragen
En schmink gemeengoed werd op het gelaat;
Voordat het gouden haar werd weggeroofd
Vanuit het graf en weer opnieuw gebruikt,
Ten tweede male op een tweede hoofd;
Voordat men blij gemaakt werd met een pruik.
Want hij toont ons de ware pracht van toen,
Een schoonheid die, zo waarlijk en zo mooi,
Geen zomer maakt van iemand anders groen,
Geen oude stof steelt voor een nieuwe tooi.
Hij is een kaart waarop Natuur laat zien
Aan valse kunst hoe mooi zij was, voordien.
Sonnet 68
Thus is his cheek the map of days outworn,
When beauty lived and died as flowers do now,
Before these bastard signs of fair were born,
Or durst inhabit on a living brow;
Before the golden tresses of the dead,
The right of sepulchres, were shorn away,
To live a second life on second head;
Ere beauty's dead fleece made another gay:
In him those holy antique hours are seen,
Without all ornament, itself and true,
Making no summer of another's green,
Robbing no old to dress his beauty new;
And him as for a map doth Nature store,
To show false Art what beauty was of yore.