148 The Foll

De aanschijning


Kon men ze maar bekijken,

Die deugden, daar benee; en scheen elk deel

Zo helder als ze boven prijken,

Dan was de lucht een stralend mooi geheel.


Met sterren toont God ons

De deugd, zoals men kwaad door tranen vindt;

Toch zwoegen we ons daaglijks krom,

Of smart geen dwaasheid is, en deugd niet wint.

Foil


If we could see below

The sphere of vertue, and each shining grace

As plainly as that above doth show;

This were the better skie, the brighter place.


God hath made starres the foil

To set off vertues; griefs to set off sinning:

Yet in this wretched world we toil,

As if grief were not foul, nor vertue winning.