Sonnet 145
Haar mond, door Liefde geboetseerd,
Vormde een klank die sprak: `Ik haat'
Tot mij, door liefdessmart verteerd.
Maar dan ziet zij mijn droeve staat
En in haar hart komt medelij;
Zij straft haar tong, die altijd zoet
De vreselijkste dingen zei,
En leert hem dit als nieuwe groet:
`Ik haat', maar met een mooier eind,
Zoals de dag komt na de nacht,
Zoals de duivel weer verdwijnt
En naar de hel wordt teruggebracht,
`Ik haat' - wat mij in leven liet,
Was dat haar liefde zei: `Jou niet.'
Sonnet 145
Those lips that Love's own hand did make,
Breathed forth the sound that said 'I hate',
To me that languished for her sake:
But when she saw my woeful state,
Straight in her heart did mercy come,
Chiding that tongue that ever sweet
Was used in giving gentle doom;
And taught it thus anew to greet;
'I hate' she altered with an end,
That followed it as gentle day,
Doth follow night, who like a fiend
From heaven to hell is flown away.
'I hate', from hate away she threw,
And saved my life, saying 'not you'.