090 Dulnesse

Traagheid


Waarom kwijn ik weg, zo traag, zo stram,

Alsof ik aarde ben;

Maak mij een vloeistof, die U blijheid schenkt

Tot aan de rand!


De speelse minnaar eert zijn liefste gul

Met klanken van en snaar;

Door metaforen krijgt haar krullend haar

Weer extra krul.


Mijn lief bent U, mijn leven en mijn licht,

Een pracht door mij bemint:

Uw dood, bloedig, onwaardig, maakt Uw tint

Puur rood en wit.


Als al het moois volkomen één wordt, Heer,

En zo U schoonheid toont,

Dan geeft de grond zelfs, waar U heeft gewoond,

Die schoonheid weer;


Waar is mijn zang? Mijn keuze? En mijn weten?

En waar mijn serenade?

Geen minnaar geeft ooit op, zelfs zonden maken

Zijn muse beter:


Door zoete leugens in mijn vlees word ik

Bespot en ja, ’t is waar;

U gaf mij ook verstand, maar wist ik maar

Waar of het zit.


Heer, toon Uw gift, dan wordt mijn blik hersteld

En kan mijn geest U zien;

Slechts zien; want U beminnen, kan, misschien,

Een engel wel.

Dulnesse


Why do I languish thus, drooping and dull,

As if I were all earth?

O give me quicknesse, that I may with mirth

Praise thee brim-full!


The wanton lover in a curious strain

Can praise his fairest fair;

And with quaint metaphors her curled hair

Curl o’re again.


Thou art my lovelinesse, my life, my light,

Beautie alone to me:

Thy bloudy death and undeserv’d, makes thee

Pure red and white.


When all perfections as but one appeare,

That those thy form doth show,

The very dust, where thou dost tread and go,

Makes beauties here;


Where are my lines then? my approaches? views?

Where are my window-songs?

Lovers are still pretending, & ev’n wrongs

Sharpen their Muse:


But I am lost in flesh, whose sugred lyes

Still mock me, and grow bold:

Sure thou didst put a minde there, if I could

Finde there it lies.


Lord, cleare thy gift, that with a constant wit

I may but look towards thee:

Look onely; for to love thee, who can be,

What angel fit?