Donne, John‎ > ‎

Holy Sonnet IV

IV

O mijn geblaakte Ziel, nu zo gekweld
Door ziekte, doods’ heraut en dwingeland;
Je lijkt een pelgrim die in ’t buitenland
Zich na verraad daar liever niet meer meldt;
Een dief, die dood als vonnis zag geveld,
En vurig naar een vrij bestaan verlangt,
Maar toch graag langer blijft in het gevang,
Wanneer de beul zich met zijn hakbijl meldt.
Toch kun je gratie krijgen, bij berouw,
Maar door wie wordt die gratie toegekend?
O maak je zwart wanneer je plechtig rouwt,
Word rood van schaamte, als je zondig bent;
    Was je met Christus bloed - dat rood bezit
    De macht je ziel te verven: rood wordt wit.
IV

Oh my black Soule! now thou art summoned
By sicknesse, deaths herald, and champion;
Thou art like a pilgrim, which abroad hath done
Treason, and durst not turne to whence hee is fled,
Or like a thief, which till deaths doome be read,
Wisheth himselfe delivered from prison;
But damn’d and hal’d to execution,
Wisheth that still he might be imprisoned;
Yet grace, if thou repent, thou canst not lacke;
But who shall give thee that grace to beginne?
Oh make thy selfe with holy mourning blacke,
And red with blushing, as thou art with sinne;
    Or wash thee in Christs blood, which hath this might
    That being red, it dyes red soules to white.
Comments