005 The Thanksgiving

De dankzegging


Koning van Smarten (vreemde titel, maar

Heer aller koningen, dus waar)

Koning van Wonden, kan ik voor U lijden,

Als U al leed in eerdere tijden?

Moet ik zo bloedig wenen als Uw kon;

Uw lichaam was één open wond.

Moet ik verraden zijn, gehoond, gekweld?

Is dat verhaal niet reeds verteld?

Mijn God, mijn God, waarom verlaat U mij?

Die beker gaat aan mij voorbij.

Zal ik dan zingen, Uw leed overslaan,

Om met triomfzang door te gaan?

Wordt dan Uw leed mijn lied? Uw doorn, mijn roos?

Uw lans, mijn glans? Uw kruis, mijn troost?

Hoe imiteer ik U, hoe doe ik goed

Uw handen na, zozeer bebloed.

Wraak zal ik zeker op Uw liefde nemen,

Wie mag de overwinning claimen?

Als U mij rijkdom schenkt, zal ‘k alles geven,

Aan mensen die in armoe leven.

Als U mij roem schenkt, dan zal een ieder zien,

Dat U het bent, die roem verdient.

Ik zal niet trouwen; of wordt zij mijn vrouw,

Dan is zij en haar kroost U trouw.

Besmeurt mijn allerbeste vriend Uw naam,

Dan taant de vriendschap en zijn faam.

De helft van mij vergaat, de rest zal ‘k geven

Aan een Kapel, of dood of levend.

En wat betreft Uw Lijden – Later meer

Als ‘t andere is gepasseerd.

U heeft beschikt dat, als ik zo lang leef,

Ik drie jaar al mijn krachten geef,

En dan een hospitaal heb opgebouwd

Zelfstandig zonder oponthoud.

En ik benut het werk van Uw creatie,

Alsof ik goede sier wil maken.

De wereld en ik strijden; en de tijd

Weet niet van mijn aanwezigheid.

Mijn lied zal U weer vinden, elke snaar

Gebruikt zijn klank, tot met elkaar

Een samenklank in U gevonden wordt:

Er is één harmonie, één God.

Geeft U aan mij Verstand, het laat zich zien,

Schonk U het reeds, dan is het hier.

Uw boek, dat zal ik lezen, totdat ik

Uw liefde daarin heb ontdekt

Uw liefdeskunst, die 'k U terug zal geven.

O mijn Verlosser, U, mijn zegen!

God, voor Uw Lijden, daarvoor doe ik dat;

Daarvoor doe ik, ik weet niet wat.

The Thanksgiving


Oh King of grief! (a title strange, yet true,

To thee of all kings onely due)

Oh King of wounds! how shall I grieve for thee,

Who in all grief preventest me?

Shall I weep bloud? why, thou hast wept such store

That all thy body was one doore.

Shall I be scourged, floutted, boxed, sold?

’Tis but to tell the tale is told.

My God, my God, why dost thou part from me?

Was such a grief as cannot be.

Shall I then sing, skipping thy doleful storie,

And side with thy triumphant glorie?

Shall thy stokes be my stroking? thorns, my flower?

Thy rod, my posie? crosse, my bower?

But how then shall I imitate thee, and

Copie thy fair, though bloudie hand?

Surely I will revenge me on thy love,

And trie who shall victorious prove.

If thou dost give me wealth, I will restore

All back unto thee by the poore.

If thou dost give me honour, men shall see,

The honour doth belong to thee.

I will not marry; or, if she be mine,

She and her children shall be thine.

My bosome friend, if he blaspheme thy Name,

I will tear thence his love and fame.

One half of me being gone, the rest I give

Unto some Chappell, die or live.

As for thy passion--But of that anon,

When with the other I have done.

For thy predestination I’le contrive,

That three yeares hence, if I survive,

I’le build a spittle,1 or mend common wayes,

And mend mine own without delayes.

Then I will use the works of thy creation,

As if I us’d them but for fashion.

The world and I will quarrell; and the yeare

Shall not perceive, that I am here.

My musick shall finde thee, and ev’ry string

Shall have his attribute to sing;

That all together may accord in thee,

And prove one God, one harmonie.

If thou shalt give me wit, it shall appeare,

If thou hast give’n it me, ’tis here.

Nay, I will reade thy book, and never move

Till I have found therein thy love,

Thy art of love, which I’le turn back on thee:

O my deare Saviour, Victorie!

Then for thy passion---I will do for that---

Alas, my God, I know not what.