053 To all Angels and Saints

Aan alle engelen en heiligen


O zaligen van geest, u bent bij God,

Die in zijn zacht gelaat geen strengheid toont,

En geen verbod;

Waar ieder koning is, al staat de kroon

Niet altijd op het hoofd, men heeft hem toch.


Niet door mijn afgunst of boosaardigheid

Is het dat ik u niet om bijstand vraag,

Nee, want ik wijdt

Mij juist heel graag tot u, Heilige Maagd

En Moeder Gods, in mijn verdrietigheid.


Want u bent de gewijde mijn waar ‘t goud

Gedolven werd, waarmee verval verdween

Voor jong en oud

U bent de schatkist met de edelsteen;

Voor u is het dat ik mijn ziel ontvouw.


Helaas, ik ben daar nu te bang voor, want

De koning die wij allen prijzen, zegt

Dat het niet kan

En ook al is wat hem behaagt geen wet

('Het is uw zaak’), toch ben ik vleugellam.


Verering is een recht, maar ja, zijn kroon

Waarop men zich in ’t laatste uur beroept,

Is als een roos

En niemand steelt van zulk een krans een bloem

Voor een boeket van minder machtsvertoon.


Al worden we verleid, wanneer je ziet

Hoe het hier gaat, wil je geen bakzeil halen,

Dat doe je niet;

Want altijd staan we klaar om te betalen,

Als iemand ons de Meesterhand laat zien.

To all Angels and Saints


Oh glorious spirits, who after all your bands

See the smooth face of God without a frown

Or strict commands;

Where ev’ry one is king, and hath his crown,

If not upon his head, yet in his hands:


Not out of envie or maliciousnesse

So I forbear to crave your speciall aid:

I would addresse

My vows to thee most gladly, Blessed Maid,

And Mother of my God, in my distresse.


Thou art the holy mine, whence came the gold,

The great restorative for all decay

In young and old;

Thou art the cabinet where the jewell lay:

Chiefly to thee would I my soul unfold:


But now, alas, I dare not; for our King,

Whom we do all joyntly adore and praise,

Bids no such thing:

And where his pleasure no injunction layes,

(’Tis your own case) ye never move a wing.


All worship is prerogative, and a flower

Of his rich crown, from whom lyes no appeal

At the last houre:

Therefore we dare not from his garland steal,

To make a posie of inferiour power.


Although then others court you, if ye know

What’s done on earth, we shall not fare the worse,

Who do not so;

Since we are ever ready to disburse,

If any one our Masters hand can show.