027 Jordan (I)

De Jordaan


Wie zegt dat fictie en vals haar slechts leidt

Tot dichtkunst. Zit in schoonheid niet iets waars?

Bieden slechts wenteltrappen stevigheid?

Zijn enkel zinnen goed die buigen naar

Een opgesierde majesteit?


Wordt grof gesponnen dichtwerk nooit een lied

Zonder priëeltjes en betoverd hout?

Maakt beekgeruis verliefden meer verliefd?

Moet alles vaag zijn opdat wie ’t aanschouwt

De zin pas van een afstand ziet?


Herders zijn eerlijk; luister naar hun lied;

Geen raadsels of verdichtsels wuif ik weg,

Geen nachtegaal of mei die ik verbied,

Maar straf me niet, als ik haast rijmloos zeg:

Mijn God, Mijn Koning, en meer niet.

Jordan I


Who sayes that fictions onely and false hair

Become a verse? Is there in truth no beauty?

Is all good structure in a winding stair?

May no lines passe, except they do their dutie

Not to a true, but painted chair?


Is it no verse, except enchanted groves

And sudden arbours shadow course-spunne lines?

Must purling streams refresh a lovers loves?

Must all be vail’d, while he that reades, divines,

Catching the sense at two removes?


Shepherds are honest people; let them sing:

Riddle who list, for me, and pull for Prime:1

I envie no mans nightingale or spring;

Nor let them punish me with losse of rime,

Who plainly say, My God, My King.