Holy Sonnet III

III

O zuchten, tranen kom terug, want leeg

Zijn borst en ogen, jullie ben ik kwijt,

Dan zou ik in mijn ontevredenheid

Nog rouwen kunnen, nu rouw ik vergeefs;

Wat scheurt mijn hart? En hoeveel buien heeft

Mijn oog verspild door mijn afgoderij?

Mijn lijden is het kwaad dat ik beleid,

Ik leed en lijdt de pijn nu die dat geeft.

De zatte dronkaard en de duisterdief,

De geile bok, de zelfgewreven trots,

Zij hebben die voorbije vreugde lief,

Want die heelt komend leed. Ik, arme, wordt

Nooit beter, want de pijn die men mij gaf

Was oorzaak en gevolg, zonde en straf.

III

O might those sighes and teares returne againe

Into my breast and eyes, which I have spent,

That I might in this holy discontent

Mourne with some fruit, as I have mourn’d in vaine;

In mine Idolatry what showres of raine

Mine eyes did waste? what griefs my heart did rent?

That sufferance was my sinne I now repent,

‘Cause I did suffer I must suffer paine.

Th’hydroptique drunkard, and night-scouting thiefe,

The itchy Letcher, and selfe tickling proud

Have the remembrance of past joyes, for reliefe

Of comming ills. To (poore) me is allowed

No ease; for, long, yet vehement griefe hath beene

Th’effect and cause, the punishment and sinne. .