Donne, John‎ > ‎

Holy Sonnet III


III

O zuchten, tranen kom terug, want leeg
Zijn borst en ogen, jullie ben ik kwijt,
Dan zou ik in mijn ontevredenheid
Nog rouwen kunnen, nu rouw ik vergeefs;
Wat scheurt mijn hart? En hoeveel buien heeft
Mijn oog verspild door mijn afgoderij?
Mijn lijden is het kwaad dat ik beleid,
Ik leed en lijdt de pijn nu die dat geeft.
De zatte dronkaard en de duisterdief,
De geile bok, de zelfgewreven trots,
Zij hebben die voorbije vreugde lief,
Want die heelt komend leed. Ik, arme, wordt
    Nooit beter, want de pijn die men mij gaf
    Was oorzaak en gevolg, zonde en straf.
III

O might those sighes and teares returne againe
Into my breast and eyes, which I have spent,
That I might in this holy discontent
Mourne with some fruit, as I have mourn’d in vaine;
In mine Idolatry what showres of raine
Mine eyes did waste? what griefs my heart did rent?
That sufferance was my sinne I now repent,
‘Cause I did suffer I must suffer paine.
Th’hydroptique drunkard, and night-scouting thiefe,
The itchy Letcher, and selfe tickling proud
Have the remembrance of past joyes, for reliefe
Of comming ills. To (poore) me is allowed
    No ease; for, long, yet vehement griefe hath beene
    Th’effect and cause, the punishment and sinne. .
Comments