115 Complaining

De weeklacht


Verleid mijn hart niet weer,

Want U bent, Heer,

Mijn macht en wijsheid; maak me niet te schande,

Want uit Uw handen

Kwam klei die weent, Uw stof die schreit.


Mijn Heer tot U behoort

Mijn daad en woord

Ter Uwer eer. Ik ben een vlieg, niet meer,

Die met het weer

In leven blijft of overlijdt.


Bent U slechts rechter, Heer?

Schiep U niet meer

Veelzijdigheid? Ben ik slechts oog en keel,

Met traan en schreeuw?

Besta ik enkel uit verdriet?


Wees met Uw kwade macht

Mij niet tot last,

In mijn bestaan. Stel met Uw goede macht

Mijn doodsuur vast,

Opdat ik van Uw heil geniet.

Complaining.


Do not beguile my heart,

Because thou art

My power and wisdome. Put me not to shame,

Because I am

Thy clay that weeps, thy dust that calls.

Thou art the Lord of glorie;

The deed and storie

Are both thy due: but I a silly flie,

That live or die

According as the weather falls.

Art thou all justice, Lord?

Shows not thy work

More attributes? Am I all throat or eye,

To weep or crie?

Have I no parts but those of grief?

Let not thy wrathfull power

Afflict my houre,

My inch of life: or let thy gracious power

Contract my houre,

That I may climbe and finde relief.