Het portret
Hier haar portret zoals zij was:
Een wonder lijkt het wel te zijn,
Alsof mijn beeld in ’t spiegelglas
Nog blijft bestaan als ik verdwijn.
Gaat zij bewegen als ik staar?
Ik wacht totdat mijn ogenpaar
Ziet hoe haar mond, nu, opengaat
En haar zoet hart iets zeggen laat: --
Toch ligt er aarde boven haar.
Een diep zwart woud; en zij staat daar
In ‘t zelfde woud als toen die dag,
Toen ik in haar stil handgebaar,
Die mooi gelijnde gratie zag.
Haar schoonheid die voorbijging toont
Dat men geen heden kent noch droom.
Dit is zij, nee, wat van haar was:
Niet eens haar schaduw op het gras,
Niet eens haar beeltenis in de stroom.
Die eerste dag van groot geluk,
Waren wij twee, alleen en saam;
Maar denk ik aan die dag terug,
Dan voel ik mij zoals de maan,
Die treurt omdat de zon opkomt,
Wij dronken van de waterbron,
Naar andere bronnen steeds op zoek
En waar van ver de echo roept,
Zong zij, waarop mijn ziel weerklonk.
The Portrait
This is her picture as she was:
It seems a thing to wonder on,
As though mine image in the glass
Should tarry when myself am gone.
I gaze until she seems to stir,—
Until mine eyes almost aver
That now, even now, the sweet lips part
To breathe the words of the sweet heart:—
And yet the earth is over her
A deep dim wood; and there she stands
As in that wood that day: for so
Was the still movement of her hands
And such the pure line's gracious flow.
And passing fair the type must seem,
Unknown the presence and the dream.
'Tis she: though of herself, alas!
Less than her shadow on the grass
Or than her image in the stream.
That day we met there, I and she
One with the other all alone;
And we were blithe; yet memory
Saddens those hours, as when the moon
Looks upon daylight. And with her
I stoop'd to drink the spring-water,
Athirst where other waters sprang;
And where the echo is, she sang,--
My soul another echo there.