098 Confession

De biecht


O wat een sluwe gast

Is droefheid toch! Want ik maak in mijn hart

Wat kasten en in ieder past

Een kist en daarin, ‘t is mijn vak,

En kleiner kastje met een la daarin;

Maar als hij wil, komt droefheid daar toch in.


Geen enkele boor of schroef

Dringt dieper door in hout, zozeer als God

De mens soms kwelt, en dan beproefd

En door de Heer gemarteld wordt.

Te breekbaar zijn ze voor een hart zo teer;

Bloed, zweet en tranen vallen daarop neer.


Wij zijn de grond, en zij

Zijn mollen, heel diep in ons aan de slag

Ze komen gravend dichterbij

Maar stoppen niet, geven niet af.

Geen slot of zij hebben er sleutels voor:

Kasten zijn gangen, harten corridors.


Een open hart alleen

Belet hen de entree en sluit de deur

Of, komen ze erin, geen een

Krijgt rust, maar zoekt nieuw avontuur.

Omdat een open hart geen houvast geeft;

Slechts fictie houdt de kwelling in zijn greep.


Mijn zonden en mijn kwaad,

Beken ik, Heer; dus geef mij toch geen straf:

Dat biecht mij toch vergeven gaat,

Daag ik hier uit: de mooiste dag,

De mooiste diamant: doe maar je best,

Wees voor mijn borst een grijze dikke mist.

Confession

O what a cunning guest

Is this same grief! within my heart I made

Closets; and in them many a chest;

And, like a master in my trade,

In those chests, boxes; in each box, a till:

Yet grief knows all, and enters when he will.


No scrue, no piercer can

Into a piece of timber work and winde,

As Gods afflictions into man,

When he a torture hath design’d.

They are too subtill for the subt’llest hearts;

And fall, like rheumes,1 upon the tendrest parts.


We are the earth; and they,

Like moles within us, heave, and cast about:

And till they foot and clutch their prey,

They never cool, much lesse give out.

No smith can make such locks but they have keyes:

Closets are halls to them; and hearts, high-wayes.


Onely an open breast

Doth shut them out, so that they cannot enter;

Or, if they enter, cannot rest,

But quickly seek some new adventure.

Smooth open hearts no fastning have; but fiction

Doth give a hold and handle to affliction.


Wherefore my faults and sinnes,

Lord, I acknowledge; take thy plagues away:

For since confession pardon winnes,

I challenge here the brightest day,

The clearest diamond: let them do their best,

They shall be thick and cloudie to my breast.