020 Faith

Geloof


Hoe houdt U, Heer, uw woede in,

Als zondigheid de mens het zicht berooft;

Als hij niets ziet, hoe geeft u hem weer zin,

Hoe heelt U hem door het geloof?


Honger had ik, maar niets te eten;

Maar ik dacht aan een feestelijke dis;

En het is waar, ik heb daarvan gegeten

Als iemand die echt welkom is.


Er is een vreemde wortelsoort,

Die ik mij indenk, als ik iets niet krijg;

Dat heelt mijn voeten en het helpt mij voort

Wanneer ik naar de hemel stijg.


Schuld had ik duizendmaal en meer,

Maar ik geloofde dat het was voldaan

En handelde ernaar; mijn crediteur

Geloofde het, en liet mij gaan.


Door het geloof krijg ik elk ding,

En al wat ik geloof past in Gods leer;

Waar zonde mij met Adams’ val verbindt,

Verbindt geloof mij met Zijn eer.


Als ik voor minder sta geboekt,

Wat kan er minder zijn nog dan een stal?

Geloof brengt mij bij Hem, Hij neemt zo zoet

Ons vlees, ons leven, ons verval.


Als kracht of geest gelukkig maakt,

Zou slechts wie sterk of slim is dat ooit zijn.

Geloof kent enkel armen van één maat,

Eén maat voor alles: groot of klein.


Een boer kan evenzeer geloven

Als een geleerde, en het hoogst bereiken;

Heer, U laat wijsneuzen knielen en sloven,

Zo maakt U de natuur gelijker.


Een schepsel dat geen eigen licht

Had om te schijnen, kreeg van U de zon;

En met die stralenkrans gaf U ons zicht

Op dat wat Christus deed voor ons.


Toen schoonheid achter een decor

Van donker ogend struikgewas verdween,

Schoof het geloof het doek opzij, waardoor

Een glorieuze lucht verscheen.


Waarom zou ik tot stof vergaan?

Geloof is trouw en zorgzaam, en het telt

Elk deeltje om het netjes op te slaan

Voor als mijn lichaam wordt hersteld.

Faith


Lord, how couldst thou so much appease

Thy wrath for sinne as, when mans sight was dimme,

And could see little, to regard his ease,

And bring by Faith all things to him?


Hungrie I was, and had no meat:

I did conceit a most delicious feast;

I had it straight, and did as truly eat,

As ever did a welcome guest.


There is a rare outlandish root,

Which when I could not get, I thought it here:

That apprehension cur’d so well my foot,

That I can walk to heav’n well neare.


I owed thousands and much more:

I did beleeve that I did nothing owe,

And liv’d accordingly; my creditor

Beleeves so too, and lets me go.


Faith makes me any thing, or all

That I beleeve is in the sacred storie:

And where sinne placeth me in Adams fall,

Faith sets me higher in his glorie.


If I go lower in the book,

What can be lower then the common manger?

Faith puts me there with him, who sweetly took

Our flesh and frailtie, death and danger.


If blisse had lein in art or strength,

None but the wise or strong had gained it:

Where now by Faith all arms are of a length;

One size doth all conditions fit.


A peasant may beleeve as much

As a great Clerk, and reach the highest stature.

Thus dost thou make proud knowledge bend & crouch,

While grace fills up uneven nature.


When creatures had no reall light

Inherent in them, thou didst make the sunne

Impute a lustre, and allow them bright;

And in this shew, what Christ hath done.


That which before was darkned clean

With bushie groves, pricking the lookers eie,

Vanisht away, when Faith did change the scene:

And then appear’d a glorious skie.


What though my bodie runne to dust?

Faith cleaves unto it, counting evr’y grain

With an exact and most particular trust,

Reserving all for flesh again.