134 The Flower

De Bloem


Hoe groen, O Heer, hoe mooi en zoet

Is wat U schiep! Het voorjaarsbloemenfeest!

Hoewel de bloem haar best nog doet,

Huldigt de late vorst haar nog het meest.

Leed is voorbij,

Als sneeuw in mei

Of er geen koude is geweest.


Wie had gedacht hoe fris en groen

Mijn lang verschrompeld hart toch weer zou zijn.

Diep in de grond, waar ook een bloem

Sterft en weer in haar wortelschoot verdwijnt;

Zij woonden beide

In wintertijden,

Dood voor een ieder, ergens in ‘t geheim.


Het is een wonder, Heer van Macht:

Sterven, verrijzen, in één uur van hel

Weer naar de hemel toe gebracht;

Onder het luiden van de doorgangsbel,

Zeggen wij mis,

Dit is, dat is;

Uw woord is al, mits goed gespeld?


O, was ik maar veranderd reeds,

In ’t Paradijs al, waar geen bloem vergaat.

Veel lentes klom ik mooi gekleed

Groeiend en kreunend hoger, hemelwaarts:

Mijn bloem is tegen

Een voorjaarsregen,

Want dat verbindt mij met mijn kwaad.


Maar groei ik in een rechte lijn

Naar ‘t hemelrijk, alsof ik dat verdien,

En U dan boos wordt, en ik kwijn:

Wat vriest er dan? Is er een plek, misschien,

Waar ‘t vuur niet laait

Als u zich draait

En een geringe frons laat zien?


En nu, op leeftijd, bloeit mijn leven,

Na al dat sterven, leef ik en ik dicht;

Nu ruik ik weer de dauw en regen,

En proef de verzen: O mijn enig licht,

Het kan niet zijn

Dat met venijn

U ’s nachts Uw woede op mij richt.


Zo, Heer van Liefde, laat U zien,

Hoe wij als bloemen glijden door de tijd;

Dan vinden wij Uw tuin misschien,

Waar onze bloei het meest gedijt.

Maar wie te vaak

Te veel wilt, raakt

Door trots zijn Hof van Eden kwijt.

The Flower


How Fresh, O Lord, how sweet and clean

Are thy returns! ev’n as the flowers in spring;

To which, besides their own demean,

The late-past frosts tributes of pleasure bring.

Grief melts away

Like snow in May,

As if there were no such cold thing.


Who would have thought my shrivel’d heart

Could have recover’d greennesse? It was gone

Quite under ground; as flowers depart

To see their mother-root, when they have blown;

Where they together

All the hard weather,

Dead to the world, keep house unknown.


These are thy wonders, Lord of power,

Killing and quickning, bringing down to hell

And up to heaven in an houre;

Making a chiming of a passing-bell,

We say amisse,

This or that is:

Thy word is all, if we could spell.


O that I once past changing were;

Fast in thy Paradise, where no flower can wither!

Many a spring I shoot up fair,

Offring at heav’n, growing and groning thither:

Nor doth my flower

Want a spring-showre,

My sinnes and I joining together;


But while I grow to a straight line;

Still upwards bent, as if heav’n were mine own,

Thy anger comes, and I decline:

What frost to that? what pole is not the zone,

Where all things burn,

When thou dost turn,

And the least frown of thine is shown?


And now in age I bud again,

After so many deaths I live and write;

I once more smell the dew and rain,

And relish versing: O my onely light,

It cannot be

That I am he

On whom thy tempests fell all night.


These are thy wonders, Lord of love,

To make us see we are but flowers that glide:

Which when we once can finde and prove,

Thou hast a garden for us, where to bide.

Who would be more,

Swelling through store,

Forfeit their Paradise by their pride.