Sonnet 105
Nee, noem mijn liefde geen afgoderij,
En noem mijn lief geen afgod, als mijn lied
Alleen maar lofzang is voor hem, door mij;
Voor één, door één, steeds zo en anders niet.
Mijn lief is schoon vandaag en morgen schoon;
Steeds eender, immer een bijzonderheid.
En daarom is mijn lied zo monotoon,
Want het is enkel aan één ding gewijd:
Mooi, lief en trouw, is alles wat ik dicht;
Mooi, lief en trouw, steeds wisselend verwoord.
Mijn schrijverskunde is erop gericht
Die drie te binden tot één groots akkoord.
Mooi, lief en trouw, zij leefden vaak alleen;
Maar, nu voor 't eerst, gedrieën saam in één.
Sonnet 105
Let not my love be called idolatry,
Nor my beloved as an idol show,
Since all alike my songs and praises be
To one, of one, still such, and ever so.
Kind is my love to-day, to-morrow kind,
Still constant in a wondrous excellence;
Therefore my verse to constancy confined,
One thing expressing, leaves out difference.
Fair, kind, and true, is all my argument,
Fair, kind, and true, varying to other words;
And in this change is my invention spent,
Three themes in one, which wondrous scope affords.
Fair, kind, and true, have often lived alone,
Which three till now, never kept seat in one.