081 Sion

Sion


Heer, wat een roem werd U ooit toevertrouwd,

Toen Salomons tempel nog in glorie stond.

Het meeste was van zuiver goud,

Met kunstig houtwerk in het rond

Met bloemen, zeldzaam, mystiek, ware kunst;

Het toont de makers, smacht naar kijkersgunst.


Maar al die roem, werd niet door U bekoord;

Die pronk en pracht, dat was Uw doel niet echt;

Het zaaide tweedracht, en daardoor

Zag U af van Uw oude recht;

Waardoor Uw bouwplan nu de zonde vindt;

Want Uw constructie vindt men binnenin.


Daar moet U vechten met het trotse hart,

Dat U soms kruisigt en soms omgekeerd;

De strijd is van twee kanten hard.

God vecht, wint en verliest soms weer.

Salomons bronzen zee, wereld van steen

Is voor U niet zo hard als ons gesteun.


Ja, steen en brons weegt zwaar, en is bedoeld

Voor op een graf, niet voor Uw kerkgebouw;

Maar zuchten zoeken snel hun doel

En vliegen naar het hemelblauw;

Als leeuweriken zingen zij hun lied;

Droevig, maar voor een Koning is ’t muziek.

Sion


Lord, with what glorie wast thou serv’d of old,

When Solomons temple stood and flourished!

Where most things were of purest gold;

The wood was all embellished

With flowers and carvings, mysticall and rare:

All show’d the builders, crav’d the seers care.


Yet all this glorie, all this pomp and state

Did not affect thee much, was not thy aim;

Something there was, that sow’d debate:

Wherefore thou quitt’st thy ancient claim:

And now thy Architecture meets with sinne;

For all thy frame and fabrick is within.


There thou art struggling with a peevish heart,

Which sometimes crosseth thee, thou sometimes it:

The fight is hard on either part.

Great God doth fight, he doth submit.

All Solomons sea of brasse and world of stone

Is not so deare to thee as one good grone.


And truly brasse and stones are heavie things,

Tombes for the dead, not temples fit for thee:

But grones are quick, and full of wings,

And all their motions upward be;

And ever as they mount, like larks they sing;

The note is sad, yet musick for a King.