Sonnet XIV

Sonnet XIV

En enkel in Zijn Wil is onze vrede (Dante)

In die gedachten eenzaam, grauw mijn haar (Petrarca)


Jeugd heen en schoonheid heen, zo er ooit maar

Een vleugje schoonheid was op dit gezicht;

Jeugd heen en schoonheid heen, waar blijft het licht?

Ik vlecht geen verse rozen in mijn haar,

Te schamel mijn gelaat voor zo'n gebaar;

Ik zoek niet langer meer naar bloesems, laat

De jeugd haar rozen en haar doornen maar;

Ik zoek gewone bloemen, zwaar van zaad.

Jeugd heen en schoonheid heen, wat rest er dan?

Een hunk'rend hart, tot spreken niet in staat,

Een zwijgend hart dat liefheeft en verlangt,

Dat ooit de stilte brak met zijn gezang,

Toen schoonheid jong was als de dageraad,

Een liefde die nu niet meer zingen kan.

E la Sua Volontade è nostra pace. - Dante

Sol con questi pensier, con altre chiome. - Petrarca


Youth gone, and beauty gone if ever there

Dwelt beauty in so poor a face as this;

Youth gone and beauty, what remains of bliss?

I will not bind fresh roses in my hair,

To shame a cheek at best but little fair,--

Leave youth his roses, who can bear a thorn,--

I will not seek for blossoms anywhere,

Except such common flowers as blow with corn.

Youth gone and beauty gone, what doth remain?

The longing of a heart pent up forlorn,

A silent heart whose silence loves and longs;

The silence of a heart which sang its songs

While youth and beauty made a summer morn,

Silence of love that cannot sing again.