031

Sonnet 31

In jouw lief hart kan ik mijn liefdes vinden,

Die ik verloor en dus gestorven meende.

In jou heerst liefde, al wat ik beminde

En al mijn vrienden die begraven schenen.

O, hoeveel liefdestranen zijn er niet

Gerold door diepe en oprechte trouw;

Betaald aan hen, die ik ooit achterliet,

Maar nu in jou verborgen weer aanschouw.

Mijn liefde zal in jou begraven leven,

Met wat aan hen herinnert eromheen;

Zij hebben jou hun deel van mij gegeven;

Wat velen toekwam, is voor jou alleen.

De som van wie ik minde, dat ben jij

En jij (met hen) hebt al van hen in mij.

Sonnet 31

Thy bosom is endeared with all hearts,

Which I by lacking have supposed dead;

And there reigns Love, and all Love's loving parts,

And all those friends which I thought buried.

How many a holy and obsequious tear

Hath dear religious love stol'n from mine eye,

As interest of the dead, which now appear

But things removed that hidden in thee lie!

Thou art the grave where buried love doth live,

Hung with the trophies of my lovers gone,

Who all their parts of me to thee did give,

That due of many now is thine alone:

Their images I loved, I view in thee,

And thou (all they) hast all the all of me.