093

Sonnet 93

Zo zal ik veinzen dat je trouw zult zijn,

Zoals een echtgenoot die wordt bedrogen;

Want dat je mij bemint, mijn lief, is schijn:

Je kijkt wel, maar je hart is weggevlogen.

Omdat er in jouw blik geen haat kan leven,

Zie ik daarin niet jouw verandering.

Bij velen staat het op 't gezicht geschreven

In elke vreemde frons en rimpeling.

Maar bij jouw schepping schreef de hemel voor

Dat liefde steeds op je gelaat zal wonen.

Wat je ook denkt, aan wie je je verloor,

Je ogen zullen niets dan goedheid tonen.

Als Eva's appel zou je schoonheid zijn,

Indien je deugd berust op schone schijn.

Sonnet 93

So shall I live, supposing thou art true,

Like a deceived husband; so love's face

May still seem love to me, though altered new;

Thy looks with me, thy heart in other place:

For there can live no hatred in thine eye,

Therefore in that I cannot know thy change.

In many's looks, the false heart's history

Is writ in moods, and frowns, and wrinkles strange.

But heaven in thy creation did decree

That in thy face sweet love should ever dwell;

Whate'er thy thoughts, or thy heart's workings be,

Thy looks should nothing thence, but sweetness tell.

How like Eve's apple doth thy beauty grow,

If thy sweet virtue answer not thy show!