102

Sonnet 102

Mijn liefde groeit, al schijnt zij onvolmaakt.

Wat zij verliest, is schijn en niet haar wezen.

De liefde wordt tot handelswaar gemaakt,

Als zij luidkeels geroemd wordt en geprezen.

Toch heb ik onze liefde blij begroet,

Toen er een nieuwe lente was begonnen;

Zoals de nachtegaal de zomer roept

En na verloop van tijd is uit¬gezongen.

Niet dat de zomer minder vreug¬de biedt

Dan toen haar lied de nacht tot stilte bracht;

Maar nu kraait er van elke tak een lied;

En overdadig zoet smaakt minder zacht.

Net als de nachtegaal zing ik niet meer

Om jou niet te vervelen met mijn eer.

Sonnet 102

My love is strengthened, though more weak in seeming;

I love not less, though less the show appear;

That love is merchandized, whose rich esteeming,

The owner's tongue doth publish every where.

Our love was new, and then but in the spring,

When I was wont to greet it with my lays;

As Philomel in summer's front doth sing,

And stops his pipe in growth of riper days:

Not that the summer is less pleasant now

Than when her mournful hymns did hush the night,

But that wild music burthens every bough,

And sweets grown common lose their dear delight.

Therefore like her, I sometime hold my tongue:

Because I would not dull you with my song.