Sonnet 061-080

Sonnet 61 t/m 80

De vernielende kracht van de Tijd staat in de eerste gedichten van deze reeks centraal. De woorden van de dichter zijn in staat om de schoonheid van de jongen te bewaren. Na het indringende Sonnet 66, het kwaadste sonnet van de hele reeks, verschuift het onderwerp naar het kwaad dat de jongeling omringt. De dichter beschrijft hoe de omgeving gefixeerd is op uiterlijk en schone schijn, op roddel en achterklap. Vanaf Sonnet 71 horen we weer hoe de dichter zichzelf wegcijfert en zichzelf neerzet als niks. Na het gelegenheidssonnet 77 (een begeleidend schrijven bij een cadeautje – een notitieboek) schuift er weer een nieuw onderwerp in de reeks: de dichter heeft er concurrenten bij gekregen. Ook andere dichters mogen zich verheugen op de gunsten van de patroon. In de laatste drie sonnetten wordt dit thema van de Rival Poet geïntroduceerd. Het wordt verder uitgewerkt in de volgende reeks.