150

Sonnet 150

Door welke macht verkreeg jij het vermogen

Dat jouw onwaardigheid mijn hart regeert?

Dat ik niet kan vertrouwen op mijn ogen

En zweer dat helder licht de dag niet eert?

Hoe komt het dat het kwaad jou passend staat?

Waarom steekt in het slechte dat je doet

Zo'n kracht en kunde, dat voor mij jouw kwaad

Niet voor het allerbeste onderdoet?

Wie leerde jou mijn liefde te doen groeien,

Terwijl er zoveel reden is tot haat?

Als wat ik liefheb anderen verfoeien,

Verfoei met anderen dan niet mijn staat.

Als jouw onwaardigheid mijn hart doet leven,

Ben ik de liefde waard die jij kunt geven.

Sonnet 150

O! from what power hast thou this powerful might,

With insufficiency my heart to sway?

To make me give the lie to my true sight,

And swear that brightness doth not grace the day?

Whence hast thou this becoming of things ill,

That in the very refuse of thy deeds

There is such strength and warrantise of skill,

That, in my mind, thy worst all best exceeds?

Who taught thee how to make me love thee more,

The more I hear and see just cause of hate?

O! though I love what others do abhor,

With others thou shouldst not abhor my state:

If thy unworthiness raised love in me,

More worthy I to be beloved of thee.