148

Sonnet 148

Heeft ware liefde mij het zien verleerd,

Waardoor mijn oog de werk'lijkheid niet ziet?

Zo ja, is dan mijn oordeel soms verkeerd,

Dat afwijst waar mijn oog juist van geniet?

Als wat ik zie aan schoonheid mooi zou wezen,

Waarom zegt ieder dan: `Het is gelogen'?

Zo niet, dan wordt daarmee voorgoed bewezen

Dat liefde minder ziet dan mensenogen.

Hoe kan het oog der liefde eerlijk zijn,

Als het vol tranen is en blindgestaard?

Het is geen wonder; ook de zonneschijn

Wordt pas gezien zodra de hemel klaart.

Want sluw is liefde die mij wenen liet,

Zodat mijn oog niet al je zonden ziet.

Sonnet 148

O me! what eyes hath Love put in my head,

Which have no correspondence with true sight;

Or, if they have, where is my judgment fled,

That censures falsely what they see aright?

If that be fair whereon my false eyes dote,

What means the world to say it is not so?

If it be not, then love doth well denote

Love's eye is not so true as all men's: no,

How can it? O! how can Love's eye be true,

That is so vexed with watching and with tears?

No marvel then, though I mistake my view;

The sun itself sees not, till heaven clears.

O cunning Love! with tears thou keep'st me blind,

Lest eyes well-seeing thy foul faults should find.