078

Sonnet 78

Vaak vroeg ik je: `Wil jij mijn Muze zijn?'

Dan stond je mij met al je hulp terzijde,

Dat vreemde pennenlikkers ook hun rijm

Onder jouw naam en gunst zijn gaan verspreiden.

Jij wist de stomsten nog een lied te leren;

Hen te verheffen uit hun dommigheid.

Jij gaf hun vleugels extra mooie veren,

Hun gratie dubbel zoveel majesteit.

Maar geef het meest om wat ik heb gedicht,

Want door jouw invloed gaan mijn verzen leven.

Bij hen is alles op de vorm gericht,

Hun kunst wordt sierlijk door jouw sier omgeven.

Mijn kunst ben jij, mijn liefste, en dat maakt

Mij, ongeletterd dichter, welbespraakt.

Sonnet 78

So oft have I invoked thee for my Muse,

And found such fair assistance in my verse

As every alien pen hath got my use

And under thee their poesy disperse.

Thine eyes, that taught the dumb on high to sing

And heavy ignorance aloft to fly,

Have added feathers to the learned's wing

And given grace a double majesty.

Yet be most proud of that which I compile,

Whose influence is thine, and born of thee:

In others' works thou dost but mend the style,

And arts with thy sweet graces graced be;

But thou art all my art, and dost advance

As high as learning, my rude ignorance.