022

Sonnet 22

Ik ben niet oud, mijn spiegel toont het niet,

Zolang voor jou en jeugd één leeftijd geldt.

Pas als men door de tijd je rimpels ziet,

Aanvaard ik dat mijn dagen zijn geteld.

Want alle pracht die men bij jou aanschouwt,

Is voor mijn liefde passende kledij.

Jij leeft in mij, zoals ik leef in jou,

Hoe kan ik dan ooit ouder zijn dan jij?

Wees daarom, liefste, voor jezel'f goed,

Zoals ik, onbaatzuchtig, ben voor jou;

Ik draag je hart, dat ik voor 't kwaad behoed,

Zoals een min haar kind behoedt voor kou.

Tracht niet jouw hart, als 't mijne sterft, te claimen;

Je gaf het mij niet om het terug te nemen.

Sonnet 22

My glass shall not persuade me I am old,

So long as youth and thou are of one date;

But when in thee time's furrows I behold,

Then look I death my days should expiate.

For all that beauty that doth cover thee,

Is but the seemly raiment of my heart,

Which in thy breast doth live, as thine in me:

How can I then be elder than thou art?

O! therefore, love, be of thyself so wary

As I, not for myself, but for thee will;

Bearing thy heart, which I will keep so chary

As tender nurse her babe from faring ill.

Presume not on thy heart when mine is slain,

Thou gav'st me thine not to give back again.