Sonnet 041-060

olg op

Sonnet 41 t/m 60

Deze reeks begint, in vervolg op Sonnet 40 uit de voorgaande reeks, met een aantal driehoekssonnetten. De minnares van de dichter blijkt een affaire te hebben met de vriend van de dichter, de Fair Youth. De dichter beschuldigt de Lady en vergoelijkt het gedrag van de Fair Youth. Met ingewikkelde gedachtekronkels houdt hij hun relatie en ook zichzelf overeind.

Vanaf Sonnet 43 lijkt er weer rust te komen in de gedichten. Op vele manieren wordt de aanhankelijkheid verwoord. Wel wordt er opvallend vaker gesproken over afscheid nemen, afstand en afwezigheid. Maar de schoonheid van de geliefde blijft een bron van inspiratie voor de dichter, al zou het mooi zijn als de jongeling ook trouw was. Vanaf Sonnet 53 wordt dat een nieuw thema. Een teken aan de wand is dat de dichter zichzelf in Sonnetten 57 en 58 neerzet als slaaf van de Fair Youth. Bij de schone jongeling vergeleken is hij niets. In Sonnet 60 komt het thema van de verslindende Tijd weer meer naar voren. Het is een opmaat voor de volgende reeks.