094

Sonnet 94

Wie met het zwaard kan slaan, maar zich weerhoudt

En niet de schijn bewaart, zoals degeen

Die anderen beroert, maar zelf koud

En hard en onbewogen blijft als steen,

Die erft met recht de goddelijke gaven,

Want hij verspilt niet wat de aarde gaf;

Waar anderen achter de rijkdom draven,

Is hij de heer en meester van die pracht.

De zomerbloem, die enkel leeft en sterft,

Maakt van de zomer een zoet jaargetij;

Maar als een kwaal die mooie bloem bederft,

Dan is het minste kruid meer waard dan zij.

Het zoetste wordt het zuurste door de daad;

Niets stinkt zo, als een lelie die vergaat.

Sonnet 94

They that have power to hurt, and will do none,

That do not do the thing they most do show,

Who, moving others, are themselves as stone,

Unmoved, cold, and to temptation slow;

They rightly do inherit heaven's graces,

And husband nature's riches from expense;

They are the lords and owners of their faces,

Others, but stewards of their excellence.

The summer's flower is to the summer sweet,

Though to itself, it only live and die,

But if that flower with base infection meet,

The basest weed outbraves his dignity:

For sweetest things turn sourest by their deeds;

Lilies that fester, smell far worse than weeds.