139

Sonnet 139

O, vraag mij niet het onrecht goed te praten,

Waarmee jij wreed mijn liefdeshart verwondt;

Tracht mij met macht en niet met list te haten,

Kwets mij niet met je blik, maar met je mond.

Vertel mij dat je liefde elders is,

Maar laat je blik niet naar een ander gaan;

Waarom mij te verwonden met een list,

Als mijn verweer jouw macht niet kan weerstaan?

Ik spreek haar vrij: `Het was mijn lief bekend

Hoezeer haar blikken mij te pijnlijk waren;

En dus heeft zij haar ogen afgewend,

Om in mijn plaats een ander dood te staren.'

Maar doe dat niet, ik ben al bijna dood,

Maak met je blik een einde aan mijn nood.

Sonnet 139

O! call not me to justify the wrong

That thy unkindness lays upon my heart;

Wound me not with thine eye, but with thy tongue:

Use power with power, and slay me not by art,

Tell me thou lov'st elsewhere; but in my sight,

Dear heart, forbear to glance thine eye aside:

What need'st thou wound with cunning, when thy might

Is more than my o'erpressed defence can bide?

Let me excuse thee: ah! my love well knows

Her pretty looks have been mine enemies;

And therefore from my face she turns my foes,

That they elsewhere might dart their injuries:

Yet do not so; but since I am near slain,

Kill me outright with looks, and rid my pain.