Willibrord

Een geloofsverkondiger van overzee

Een dun bevolkt land

Toen Willibrord met zijn elf gezellen, waaronder Adelbert, de monding van de Rijn bereikte, trof hij een dun bevolkt land aan dat vanwege het vele water, moerassen en bossen in het noorden en westen moeilijk toegankelijk was. Het was een gebied waar niet of nauwelijks christenen waren te vinden. In de 4e eeuw na Christus, nog in de Romeinse tijd, was het christendom vooral in het zuiden van de Nederlanden doorgedrongen. Zo weten wij dat in die tijd St.-Servaas bisschop van Maastricht is geweest: de St.-Servaasbasiliek in die stad herinnert hier nog aan. Na de val van het Romeinse rijk is in de tijd van de volksverhuizing het christendom weer grotendeels verloren gegaan.

Friezen en Franken

Het noorden en westen van het huidige Nederland was in die tijd het woongebied van de Friezen. Zij spraken een taal die waarschijnlijk veel verwantschap bezat met de taal in het toenmalige Engeland. Er waren ook nauwe handelsbetrekkingen met dat land. De plaats Dorestad vormde in het gebied van de Friezen een belangrijk handelsknooppunt.

In het zuiden woonden de Franken, van oorsprong een Germaans volk, in gebieden die zich uitstrekten over het tegenwoordig België, Noord-Frankrijk en het westen van Duitsland. Hun koning Clovis liet zich in 496 tot christen dopen; hij werd daarmee een voorbeeld voor andere Frankische krijgers. In de eeuwen daarna wierpen Frankische heersers zich op als beschermers van de christelijke kerk. Veroverde volken werden verplicht tot het christendom over te gaan. Het resultaat hiervan was dat rond 700 de bekering van de bevolking tot het christendom ten zuiden van de grote rivieren grote vorderingen had gemaakt.

Angelsaksische geloofsverkondigers

De missionering ten noorden van de grote rivieren werd vooral door Angelsaksische monniken op gang gebracht. Zij hadden van Ierse monniken de gewoonte overgenomen om het geloof in verre landen te gaan verkondigen (peregrinatio). Als Angelsaksen konden zij vanwege de taal en gewoonten gemakkelijk contact met de Friese bevolking leggen. De Friezen zagen hen niet zozeer als agenten van de Frankische veroveringsdrang, hoewel de monniken wel aangewezen waren op steun van Frankische heersers.

Na de dood van Willibrord (739) en Bonifatius (754) kwamen nog steeds Angelsaksische monniken het geloof verkondigen. Lebuïnus boekte rond 780 tal van successen in het oosten van het land. Op den duur kwamen er ook geloofsverkondigers van eigen bodem: zo was Liudger van Friese afkomst. Omstreeks 800 is het gezag van Karel de Grote in deze streken stevig gevestigd. De kerstening kwam daardoor ondanks nog veel heidens bijgeloof pas goed op gang. In de eeuwen daarna kon het pas gepredikte christendom de storm van invallen door de Noormannen goed doorstaan.

St.-Willibrordusput bij Heiloo.

Ook in België kun je verschillende Willibordputten tegenkomen, hier in Maaseik. De doopvont is door Willibrord gebouwd ter vervanging van een Wodanput.

Wikimedia Commons