Jacobus Arminius

Een omstreden theoloog in de vroege Gereformeerde Kerk van de Nederlanden

Protestantisering van de noordelijke Nederlanden

In 1560 verschijnt de eerste Nederlandse vertaling van het leerboek van Calvijn, de Institutie der Christelijke Religie, dat in Genève al verschenen was in 1536. In Frankrijk hebben zich dan al meer dan 2000 calvinistische gemeenten gevormd. In de Nederlanden ontstaan de eerste calvinistische of gereformeerde gemeenten na 1560, vooral na de Beeldenstorm van 1566 en de inname van Den Briel in 1572. Vele steden in Vlaanderen en Holland maken zich dan los van het katholieke Spaanse gezag. De Tachtigjarige Oorlog begint in 1568. Naast Lutheranen en doopsgezinden zijn het nu vooral de calvinisten die de opstand vaart geven en niet terugdeinzen voor terechtstellingen door de inquisitie en de Spaanse terreur tegen de burgerbevolking. Wel vluchten er vele tienduizenden Nederlanders vanwege de geloofsvervolging naar Engeland en het Duitse Rijk. Daarom vindt de eerste nationale synode van de Nederlandse calvinisten dan ook niet in eigen land, maar in de Noord-Duitse stad Emden plaats (1571). Daar wordt de basis gelegd voor inrichting van de Gereformeerde Kerken in de Nederlanden en wordt de Nederlandse Geloofsbelijdenis opgesteld, die verplicht door de predikanten ondertekend gaat worden. De Unie van Utrecht (1579), het samenwerkingsverband van de gewesten Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre, Overijsel, Groningen en Friesland tegen de Spaanse onderdrukking, spreekt af dat de godsdienst per gewest naar eigen goeddunken geregeld kan worden, maar dat niemand vanwege zijn geloofsovertuiging vervolgd mag worden. Door die afspraak en door een positief verloop van de strijd wordt het tijd voor veel vluchtelingen om terug te keren. De noordelijke Nederlanden worden nu zelf een toevluchtsoord voor geloofsvervolgden: ongeveer 150.000 van hen ontvluchten - vanwege de succesvolle militaire opmars van de Spaanse landvoogd Parma - de zuidelijke Nederlanden en trekken naar de Hollandse steden. Het zuiden wordt weer homogener katholiek; het noorden wordt calvinistischer.

Godsdienstige meningsverschillen politiek gekaapt

Dat de politiek zich met de godsdienst bemoeit, is in de zestiende en zeventiende eeuw volstrekt normaal. Vanaf de Romeinse keizer Constantijn de Grote is de katholieke kerk gestimuleerd en verdedigd door staatkundige overheden. Op de Rijksdag van Augsburg van 1555 wordt na een lange strijd tussen de katholieke keizer en een groep opstandige lutheraanse vorsten en steden afgesproken dat de vorsten en de rijkssteden in hun eigen gebied bepalen welke variant van het christelijke geloof in hun gebied zal gelden: ‘wiens gebied, diens geloof’. Wie zich in de keuze van de bestuurder(s) niet kan vinden gaat maar verhuizen! En zo kiezen de representanten van de Noord-Nederlandse gewesten bij de Unie van Utrecht voor de Gereformeerde Kerk met de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dat is de kerk van een minderheid van de bevolking. De meerderheid wordt gevormd door katholieken, lutheranen en doopsgezinden. Die hoeven hun overtuiging niet af te zweren, maar mogen hun geloof niet openbaar belijden. Kloosters worden opgeheven en hun goederen worden geconfisqueerd. De katholieke parochiekerken worden nu, ontdaan van hun heiligenbeelden en altaren, ingezet voor de gereformeerde diensten.

De kersverse en vaak niet academisch opgeleide predikanten hebben allemaal te maken met de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Deze calvinistische geloofsbelijdenis is opgesteld in de tijd van uitgesproken polarisatie en laat weinig ruimte voor afwijkende visies. Dat geeft discussie onder geloofsgenoten en die onrust wordt in de nog jonge staat bezorgd gadegeslagen. Bij de opleiding voor predikanten is het in ieder geval gewenst om zoveel mogelijk een heldere lijn te trekken. Het is dus begrijpelijk dat de bestuurders van het gewest Holland een einde willen maken aan de theologische ruzie binnen de universiteit van Leiden. De gesprekken tussen Arminius en Gomarus leveren helaas geen vergelijk op. De Staten-Generaal, waarin alle gewesten zijn vertegenwoordigd, willen aanvankelijk geen nationale synode houden, omdat Arminius en zijn aanhangers (Arminianen of rekkelijken) er op staan dat ook de tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis als zodanig ter discussie komt. Dat willen Gomarus en zijn aanhangers (Gomaristen of preciezen) per se niet. Na de dood van Arminius zijn de meningsverschillen nog lang niet voorbij en wenden zijn aanhangers zich in een Remonstrantie, een verzoekschrift, tot de Staten van Holland. (Arminianen worden daarom voortaan vaak Remonstranten genoemd). Zij willen alsnog een poging wagen om zowel de arminiaanse als de gomaristische visie binnen de reformatorische belijdenis mogelijk te maken. Oldenbarnevelt voelt daar wel voor. Maar Maurits, de stadhouder en militaire leider van de Opstand, verklaart zich daar tegen. Hij volgt de Gomaristen, die een contaremonstrantie opstellen. (Gomaristen krijgen nu de naam Contraremonstranten.) De briljante jonge jurist Hugo de Groot schrijft de ‘Resolutie tot vrede der Kercken’ in een poging de diepgaande verdeeldheid te overbruggen. Het omgekeerde gebeurt echter: de gemoederen raken verhit en een burgeroorlog dreigt.

De Synode van Dordrecht in revolutionaire tijden

In de periode van het Twaalfjarig Bestand met Spanje (1609-1621) dreigt de jonge Republiek zelfs aan toenemende interne strijd ten onder te gaan. De belangrijkste leiders, Oldenbarnevelt en Maurits, gooien zelf olie op het vuur. Maurits gaat demonstratief naar een contraremonstrantse dienst in de Kloosterkerk in Den Haag. Oldenbarnevelt staat - zonder overleg met legerbevelhebber Maurits - de Hollandse steden toe eigen legertjes (de waardgelders) te vormen om de rust en orde te handhaven. Maurits laat dat niet over zijn kant gaan: Oldenbarnevelt wordt in Den Haag gevangengezet, zijn medestander Hugo de Groot wordt opgesloten in de staatsgevangenis, Slot Loevestein, en de arminiaanse hofpredikant Uytenbogaert kan ternauwernood naar het buitenland vluchten. In vele steden worden de remonstrantse regenten met militaire dwang vervangen door aanhangers van het contraremonstrantse kamp. De Staten-Generaal besluiten nu wel een nationale synode te houden om aan de theologische geschillen een einde te maken.

De nationale synode komt van november 1618 tot april 1619 in Dordrecht bijeen. Het is een grote vergadering met tientallen predikanten en hoogleraren, die vrijwel allemaal contraremonstrants zijn. Er zijn ook 23 afgevaardigden van buitenlandse kerken aanwezig. De kleine delegatie van remonstranten wordt wegens voortdurend gezeur over procedures halverwege het overleg weggestuurd. Daaropvolgend worden ook nog 200 remonstrantse predikanten uit hun ambt gezet. De Synode van Dordrecht wordt dus een volledig contraremonstrants succes. De leerregels van de Gereformeerde Kerk zijn daarna glashelder. De Remonstranten gaan o.l.v. Uytenbogaert in Antwerpen over tot het stichten van de Remonstrantse Broederschap, die in de Republiek voorlopig alleen in het geheim kan bestaan. Met de terechtstelling van Oldenbarnevelt op het Binnenhof in Den Haag en de vlucht van Hugo de Groot – gedeeltelijk in een boekenkist – naar het buitenland eindigt een Hollands drama in afwachting van betere tijden.

Een kaart van Emden uit 1575. Hierheen vluchtten veel calvinisten en hielden er de eerste nationale synode.

Wikimedia Commons


De laatste pagina van de Unie van Utrecht met op de eerste zes regels de handtekeningen van de vertegenwoordigers van het gewest Holland.

Wikimedia Commons

Een kopie van 'Remonstrantie' door Adolphus Venator, 1611

Wikimedia Commons / Regionaal Archief Alkmaar

De Synode van Dordrecht, bijeengeroepen om een einde te maken aan de theologische verschillen binnen de kerk, maar werd een succes voor vooral de contraremonstranten.

Wikimedia Commons

De terechtstelling van Oldenbarnevelt op het Binnenhof in Den Haag (1619)

Wikimedia Commons