John Wyclif

De morgenster van de Reformatie

Biografie    Achtergronden    Tips voor verdieping en verwerking
Jonge jaren
John Wyclif is in of rond 1328 geboren in North Yorkshire (Engeland). Hij is een zoon van Roger, heer van Wycliffe en diens vrouw Catherine. Hij heeft twee broers, William en Robert. Hij behoort tot een oude familie van Angelsaksische adel, afkomstig uit Wycliffe-on-Tees. De naam Wycliffe betekent in het oud-Engels ‘klif bij het water’ en dat water is dat van de  River Tees. Overigens is John niet in Wycliffe-on-Tees, maar in het 16 kilometer zuidelijker gelegen Hipswell geboren. John Wyclif schrijft in zijn boeken en correspondentie overigens nooit over zijn afkomst en zijn familie en in de schaarse documenten uit die tijd over de familie lijkt de naam van John volledig verwijderd te zijn. Misschien wel als gevolg van een breuk tussen de familie, die trouw katholiek blijft, en John, die steeds radicalere hervormingsstandpunten inneemt.
John Wyclif zal zijn eerste onderwijs dicht bij huis hebben gekregen. We komen hem in documenten pas tegen als hij in Oxford zijn gymnasiale vorming krijgt. Hoe zijn universitaire studie verloopt, weten we niet, maar er zal waarschijnlijk vertraging zijn opgetreden door het uitbreken van de beruchte pestepidemie, de Zwarte Dood, waaraan minstens een derde deel van de bevolking bezwijkt. In de tweede helft van de jaren vijftig van de veertiende eeuw is hij fellow van het Merton College en rond 1360 studeert hij af als Master of Arts (hoofdvak filosofie) aan het Balliol College en is ook bachelor in de theologie.

Pastoor en universitair docent
In 1361 krijgt Wyclif een benoeming tot pastoor van Fillingham in Lincolnshire. Al snel verwerft hij bisschoppelijke goedkeuring tot absenteïsme: met behoud van de inkomsten mag hij de zielzorgelijke taken in de parochie overdragen aan een vicar, een kapelaan. John kan daardoor in Oxford blijven lesgeven en studenten begeleiden. In 1368 verruilt hij zijn pastoorsfunctie in Fillingham voor die van de parochie van het rijkere Ludgershall, niet ver van Oxford.
Inmiddels is Wyclif in 1365 door de aartsbisschop van Canterbury benoemd tot ‘Warden of Canterbury Hall’. Hiermee wordt hij hoofd van de in Oxford gevestigde priesteropleiding van het aartsbisdom Canterbury. Bij het aantreden in 1367 van een nieuwe bisschop, een voormalige kloosterling, wordt de functie overigens al weer in handen gegeven van een monnik.
Ondertussen promoveert Wyclif in 1372 tot doctor in de theologie. Dit brengt hem kerkelijke promotie: hij krijgt nieuwe inkomsten uit kerkelijke bezittingen in Lutterworth en een prebende (kerkelijke inkomsten) van de Collegiale kerk van Westbury-on-Trym, bij Bristol. Het brengt hem in zijn functie als hoogleraar in de theologie ook meer bekendheid. Zo worden zijn bedenkingen bij de theologie en het functioneren van de kerk in zijn tijd nu ook buiten Oxford meer bekend. In essentie komen die neer op twee punten: niet de kerk, maar het evangelie is voor het geloof van belang, en het siert de kerk afstand te doen van luxe en wereldlijke macht.

Diplomaat in tijdelijke dienst
In 1373 vraagt de in Avignon residerende paus Gregorius XI van de kerk in Engeland een bedrag van 100.000 florijnen als bijdrage aan zijn militaire campagne tegen Visconti, de hertog van Milaan. Tegelijk voert de Engelse koning Edward III een extra belasting van 10% van de grondopbrengsten in voor een nieuwe fase in de Honderdjarige Oorlog, de strijd tegen de Fransen. Van de Engelse kerk kan nauwelijks gevraagd worden beide extra aanslagen te voldoen. Wie gaat voor, de paus of de koning? Voor Wyclif is het duidelijk: de paus behoort slechts een geestelijk leidsman te zijn en kan daarom geen aanspraak maken op welk bezit dan ook, laat staan belasting heffen in Engeland! Vanwege dit standpunt wordt hij gevraagd deel uit te maken van een koninklijke delegatie die in het neutrale Brugge gaat onderhandelen met pauselijke afgezanten. Tijdens de gesprekken blijkt dat het Wyclif slechts gaat om het principe, maar dat de overige leden van de delegatie toewerken naar een compromis. Vandaar dat Wyclif het overleg boos verlaat, waardoor hij zich niet verantwoordelijk maakt voor het eindresultaat: een verlaging van de tijdelijke extra kerkbelasting tot een bedrag van 60.000 florijnen. Wyclif keert terug naar Oxford en stort zich met meer inzet dan tevoren op zijn theologische onderzoekingen.

Publicaties en kerkelijke aanklachten
In een gestaag tempo verschijnen er nu publicaties van de hand van Wyclif waarin hij zijn in de loop der jaren gevormde opvattingen over theologie en kerk uitwerkt. De kernpunten daarvan zijn: de bijbel is als woord van God de centrale autoriteit binnen het christendom en niet de kerk; de machtsaanspraken van de paus zijn onhistorisch; de kerkelijke bezittingen belemmeren de gewenste apostolische armoede en moeten terug naar de oorspronkelijk eigenaren; kloosters zijn niet bijbels en werken (kerkelijke) corruptie in de hand; in de eucharistie worden brood en wijn niet wezenlijk veranderd in het lichaam en bloed van Christus; biecht en celibaat dienen afgeschaft te worden.
Geen wonder dat de kerkleiders zich in toenemende mate ongerust maken over Wyclif ’s opvattingen, juist ook vanwege zijn invloed op de studenten in Oxford. Aartsbisschop Courtenay daagt hem in 1377 voor een kerkelijke rechtbank in de Lady Chapel van de St. Paul ’s in Londen. Wyclif meldt zich daar omringd door vrienden: John of Gaunt (Jan van Gent), hertog van Lancaster, vierde zoon van koning Edward III, die er op uit is het bezit van de kerk in Engeland te verwerven en de macht van die kerk te beperken; vervolgens Henry Percy, de hofmaarschalk van de koning, en vier franciscaner monniken uit Oxford. In de discussie binnen gaat het er al stevig aan toe, maar buiten verzamelt zich zelfs een opstandige meute. De zitting wordt afgebroken en Wyclif keert terug naar het voor hem veilige Oxford.
Maar daar blijft het niet bij. Nu neemt het pauselijk gezag – inmiddels teruggekeerd in Rome - het initiatief. Paus Gregorius XI veroordeelt in een serie brieven de opvattingen van Wyclif. Een pauselijke inquisitierechtbank zal hem in Engeland gaan berechten. Excommunicatie dreigt. Zo ver komt het niet. Eerst moet Wyclif zich in 1378 verantwoorden voor een bisschoppelijke commissie in Lambeth, het aartsbisschoppelijk paleis in Londen. Voordat zijn Protestatio, zijn verweerschrift, echt in behandeling genomen kan worden, wordt de zitting al onderbroken door een luidruchtig volksoproer, waarbij de aartsbisschoppelijk kapel zelfs wordt opengebroken. De bisschoppen stellen de zaak uit en van uitstel komt afstel. Vervolgens overlijdt Gregorius XI en die wordt opgevolgd door twee rivaliserende pausen, die andere prioriteiten hebben.

En toch veroordeeld
Wyclif heeft alle vertrouwen in de kerkleiding verloren. Hij begint aanhangers, zowel priesters als leken, erop uit te sturen om door het land heen te preken in zijn geest. Deze boetepredikers worden de poor priests genoemd. En de aanhangers die zij verwerven, heten Lollarden. De verzetsgeest onder de boerenbevolking, gericht tegen de grootgrondbezitters wordt hiermee ook aangewakkerd. Dit culmineert in de Boerenopstand van 1381. Vele machtige beschermelingen van Wyclif keren zich nu van hem af. De publicatie met zijn opvattingen over de eucharistie doen als het ware de deur dicht. De universiteit van Oxford komt voor de vraag te staan of Wyclif nog als hoogleraar te handhaven is. Een raad van professoren veroordeelt zijn leerstellingen over de eucharistie. In 1382 komt een kerkelijke rechtbank in Blackfriars, het dominicanerklooster in Londen, tot een verwerping van 24 stellingen van Wyclif. Dit is voldoende voor de universiteit tot het besluit te komen Wyclif te ontslaan. Deze trekt zich nu gedwongen terug op de pastorie van zijn parochie Lutterworth.

Laatste jaren
In de laatste jaren van zijn leven schrijft  Wyclif zijn hoofdwerk, Trialogus, een samenspraak tussen de waarheid, de leugen en de voorzichtigheid. Zeer belangrijk is ook de door hem in deze fase begonnen bijbelvertaling in het Engels. Maar dan krijgt  hij het herseninfarct, dat hem gedeeltelijk verlamt. Wanneer hij in 1384 tijdens het lezen van de H. Mis er een tweede infarct overheen krijgt, overlijdt hij.
In 1415 worden tijdens het Concilie van Konstanz de opvattingen van zowel Johannes Hus als van diens inspirator, John Wyclif, veroordeeld. Hus wordt op de brandstapel gezet en de beenderen van Wyclif worden uit de gewijde aarde van de katholieke begraafplaats in Lutterworth opgegraven en eveneens verbrand. Zijn as wordt uitgestrooid in de River Swift.


John Wyclif

Een bladzijde uit een bijbel door Wyclif in het Engels vertaald.
Wikimedia Commons

Een schilderij van de 19e eeuwse schilder William F. Yeames. John Wyclif overhandigt enkele arme priesters zijn bijbelvertaling. Hun aanhangers worden de Lollarden genoemd.
Wikimedia Commons

John Ball, een Engelse priester die behoorde tot de Lollarden. Hij speelt een voorname rol in de boerenopstand van 1381.
Wikimedia Commons

John Wyclif leest zijn bijbelvertaling voor aan John of Gaunt (of Jan van Gent), vierde zoon van koning Edward III, vriend en medestander.
Wikimedia Commons

Ruim twintig jaar na zijn dood wordt Wyclif door het Concilie van Konstanz (1415) tot ketter veroordeeld. Zijn beenderen worden daarna opgegraven om als ketter alsnog te worden verbrand. De as wordt in de rivier uitgestrooid.
Wikimedia Commons