Syb Talma

Een sociaal bewogen predikant en politicus

Biografie    Achtergronden    Tips voor verdieping en verwerking
Syb Talma werd op 17 februari 1864 geboren in Angeren. Zijn vader was daar hervormd predikant. Syb werd genoemd naar zijn grootvader en kreeg officieel de namen Artius Sybrandus. Hieraan kun je zien dat hij uit een oud Fries geslacht afkomstig was. In die kring was het namelijk gebruikelijk om kinderen Friese namen in een Latijns jasje te geven. Zo werd de Friese naam Reitse in het Latijn Aritius, Siebe werd Sybrandus. Zijn voorletters A.S. zouden later landelijke bekendheid krijgen.
Als middelbare scholier bezocht hij het gymnasium in Dordrecht. Daarna studeerde hij theologie aan de universiteit van Utrecht. In zijn studie voelde hij zich het meest aangetrokken to hoogleraren die de zgn. ethische richting aanhingen. Zij hadden een open oog voor de noden in hun tijd: zij verwezen daarbij naar oproepen tot rechtvaardigheid door profeten in het Oude Testament. Zij waren duidelijk minder dogmatisch in de christelijke leer dan hun orthodox ingestelde collega’s.

Arme boeren- en arbeidersgezinnen
Op 24-jarige leeftijd werd Talma in 1888 beroepen als predikant in Heinenoord, een dorp ten zuiden van Rotterdam. Hij trouwde spoedig met Margaretha van Schaardenburg. Zij kregen zes kinderen: twee zoons en vier dochters. Hij kwam er in aanraking met de leefomstandigheden van arme boerengezinnen. Zo vernam hij een keer bij een huisbezoek aan zo’n gezin, dat de moeder haar broden in de winter kleiner bakte dan in de zomer. Haar kinderen kon zij op die manier toch de twee dagelijkse boterhammen geven. De confrontatie met dit geval en vele andere betekende een grote schok voor een predikant die tot dan toe in een beschermde intellectuele omgeving was opgegroeid. Het stimuleerde hem zich in te zetten voor sociale rechtvaardigheid.
Drie jaar later verhuisde Talma met zijn gezin naar Vlissingen. Daar kwam hij in aanraking met arbeidersgezinnen, dikwijls in deplorabele, armoedige omstandigheden verkerend. In tegenstelling tot vele collega’s schuwde hij er niet het debat met socialisten, zelfs niet met een van hun voormannen: Domela Nieuwenhuis. Het had te maken met zijn intellectuele interesse: als een van de weinige predikanten hield hij tijdschriften en literatuur over het denken in socialistische kring bij. Niet om, zoals dat bij Domela gebeurde, zelf socialistisch te worden, maar te laten zien hoe ook vanuit het christelijk perspectief het lot van de arbeiders aanzienlijk verbeterd kon worden. Hij ontwikkelde zich zo later tot een van de boegbeelden van het christelijk-sociaal denken.
Na enkele jaren Vlissingen vertrok hij naar Arnhem. Daar was hij als predikant actief in het bestrijden van drankmisbruik en trok hij zich ook het lot van daklozen, werklozen en prostituees aan. Tot zijn overstap naar de politiek (1901) bleef de Gelderse hoofdstad zijn standplaats.

Vakorganisatie en politiek
Talma was een gedreven man, die het vanuit zowel kennis als praktisch werk als een levenstaak zag zich in te zetten voor de lotsverbetering van arbeiders. Zijn opvattingen ontwikkelden zich vanuit een samengaan van studie naar sociale omstandigheden en praktisch veldonderzoek. Een eerste bezoek aan het Christelijk Sociaal Congres in 1891 bracht hem in aanraking met de Anti-Revolutionaire Partij van Abraham Kuyper. Zo ontdekte hij ook het christelijke werkliedenverbond Patrimonium, waar hij zich bij aansloot. In een periode van tien jaar ontwikkelde hij er tal van activiteiten. Patrimonium was over het algemeen paternalistisch georganiseerd. Talma ging ervan uit dat de zelfstandigheid van de arbeider zoveel mogelijk bevorderd moest worden. Hij pleitte voor de omvorming naar vakgerichte arbeidersorganisaties. Die zouden zelfs  de werkstaking als uiterste middel mogen inzetten, een opvatting waarmee velen in eigen kring toen heel veel moeite hadden. Talma werd een gevierd spreker en schreef als redacteur van Patrimonium geregeld artikelen. Dat zou niet onopgemerkt blijven. Er wordt wel gezegd dat zijn opvattingen over een strijdbare vakbeweging later gestalte krijgen in de oprichting van het Christelijk Nationaal Vakverbond (1909).

Tweede Kamer en kabinet
Bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1901 liet Talma zich door Kuyper overhalen zich kandidaat te stellen in het Friese district Tietjerkstradeel. Daar kreeg hij te maken met een geduchte tegenstander: Pieter Jelles Troelstra, voorman de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Het werd een verhitte verkiezingsstrijd, waarin Talma het debat met de socialistische voorman niet schuwde. Dank zij zijn redenaarstalent gecombineerd met kennis van zaken en sociale bevlogenheid maakte hij indruk op velen, waardoor hij een klinkende overwinning behaalde. Talma zegde zijn baan als predikant in Arnhem op en zou tot 1908 namens de ARP in de Tweede Kamer zitten.
Zijn kans om minister te worden kreeg hij in 1908. In het nieuwe kabinet, geleid door de antirevolutionair Heemskerk, kreeg hij de post van minister van Landbouw, Handel en Nijverheid. In zijn portefeuille zaten tevens arbeid en sociale wetgeving. Hij werd hiermee de eerste minister voor sociale wetgeving die een staat van dienst in de arbeidersbeweging had. Hij zag het als zijn taak om een inhaalslag op het gebied van sociale wetgeving in te zetten. Hij vond het belangrijk dat arbeiders vanuit hun organisatie bij de uitvoering van sociale wetten werden betrokken. Bovendien was het belangrijk dat de uitvoering ervan efficiënt zou gebeuren. Een belangrijke stap hierin was het moderniseren van de Arbeidsinspectie. Daarmee werd het pas echt mogelijk de naleving van de Arbeidswet op de werkvloer goed te controleren.

Talma’s wetten
Talma voerde de eerste collectieve oudedagsvoorziening in Nederland in. Op 9 december 1913 konden pensioengerechtigde arbeiders van 70 jaar een ouder een wekelijks uitkering van staatswege ontvangen. Talma zag het als een overgangsregeling. Eigenlijk was hij voorstander van een verplichte particuliere pensioenverzekering, waarvoor geregeld premie moest worden betaald. De oudere arbeiders die vanaf 1913 in aanmerking kwamen voor een ouderdomsrente, hadden hiervoor niet kunnen sparen. Het betekende dat de overheid toch met financiële steun over de brug moest komen. Met steun van de SDAP – voorstander van een staatspensioen en eigenlijk tegenstander van verplichte verzekeringen - werd de Invaliditeits- en Ouderdomswet uiteindelijk aangenomen.

Toch ging het aannemen van nieuwe sociale wetten bepaald niet van een leien dakje. De Bakkerswet, waarin nachtarbeid in bakkerijen werd verboden, was bedoeld om de kleine bakkers te beschermen tegen de moordende concurrentie van industriële bakkerijen. Deze wet werd uiteindelijk niet in de Tweede Kamer aangenomen. Kuyper, de politieke leider van de ARP en fractievoorzitter in de Kamer, zag in de wet te veel staatsbemoeienis en inperking van de vrijheid van de ondernemers en stemde daarom niet voor Talma’s voorstel. Het voorstel kreeg zo net geen meerderheid. Het verwerpen van deze wet was een bittere pil voor de ambitieuze minister. In zijn andere wetten over verplichte verzekeringen voor ziekte en arbeidsongeschiktheid stuitte hij in eigen kring op dezelfde bezwaren. Hij moest aan politieke tegenstanders – maar ook medestanders - verregaande concessies doen om de wetten er toch door te krijgen. Daarmee ontstond het – naar later bleek – onterechte beeld, dat Talma een politicus was, die op tragische wijze was mislukt.

Uit de politiek
De Tweede-Kamerverkiezingen in 1913 betekenden een grote nederlaag voor de ARP. Veel arbeiders – ontevreden over het op de lange baan schuiven van menige sociale wet - liepen over naar de SDAP; mensen uit de bovenlaag vonden de ARP veel te sociaal geworden. Talma besloot zich uit de politiek terug te trekken en terug te keren naar zijn oude beroep. Hij werd als predikant beroepen in het dorp Bennebroek. Tijdens de mobilisatie vanwege de Eerste Wereldoorlog werd hij ook nog veldprediker. Na enige tijd moest hij hiermee ophouden: vanwege zijn zwakker wordende gezondheid werd hem absolute rust voorgeschreven. Op 12 juli 1916 overleed hij in een ziekenhuis te Haarlem. Zijn lichaam werd ter aarde besteld op de begraafplaats bij de kerk in Bennebroek. Enkele jaren later werd op initiatief van het CNV een grafmonument te zijner ere onthuld.


A.S. (Syb) Talma

De Nederlands-Hervormde Kerk in Heinenoord. De eerste plaats waar Talma in 1888 werd beroepen. Hij kwam er in aanraking met de schrijnende situatie van tal van plattelandsgezinnen.
Wikimedia Commons

Talma's tweede standplaats als predikant was in Vlissingen. Daar bevond zich ook de grote scheepswerf van de Koninklijke Maatschappij De Schelde. Later als minister van Landbouw, Nijverheid en Handel mocht Talma het vracht- en passagierschip Frisia te water laten (1909).
Gemeentearchief Vlissingen

Een politieke prent, waarop de arbeider (rechts) tegen Talma (links) zegt: 'Ex-Patrimoniumman, het wordt tijd uw woorden in daden om te zetten!'

In het Friese dorp Bergum is in 1963 ter gelegenheid van Talma's vijftigste sterfdag een borstbeeld onthuld. Op de sokkel staat het volgende:

Ds. A.S. Talma
Kamerlid
voor dit district
1901-1908
Minister
Grondlegger van de
sociale wetgeving
1908-1913