Syb Talma

Een sociaal bewogen predikant en politicus

In de tijd dat Talma als predikant actief werd, bestond er in de Nederlandse samenleving een drietal kwesties: de schoolkwestie (over het subsidiëren van bijzondere scholen) , de kiesrechtkwestie (over wie er wel of niet in aanmerking komen voor het kiesrecht) en de sociale kwestie (over sociale rechtvaarrdigheid). Vooral deze laatste kwestie greep Talma door de confrontatie met het lot van arme boeren- en arbeidersgezinnen zeer aan. Al lezende kwam hij in aanraking met het werk van de Engelse christen-socialist F.D. Maurice, die had gepleit voor zelfwerkzaamheid en zelfredzaamheid en onderlinge samenwerking tussen arbeiders. Op deze manier zouden zij in staat zijn om de menselijke waardigheid, die door de snelle industrialisatie verloren was gegaan, weer terug te krijgen. De opvattingen van Maurice waren voor Talma een bevestiging van zijn opvatting dat het voor arbeiders een recht was en geen gunst om te leven en te werken in goede omstandigheden. Het oprichten van vakbonden, waar arbeiders het alleen voor het zeggen hebben, en coöperaties konden hierbij belangrijke hulpmiddelen zijn. Talma zag ook hoe in zijn tijd in Duitsland onder de conservatieve kanselier Bismarck een sociaal stelsel voor arbeiders vanuit de staat werd opgezet. In vergelijking daarmee verkeerde de sociale wetgeving in Nederland in een achterstandsituatie, de politieke verdeeldheid aan het eind van de negentiende eeuw was hier debet aan.

Het Duitse voorbeeld liet zien hoe de overheid in het sociale leven een belangrijke rol kon spelen. Talma wilde ook een sterkere overheid, alleen niet op de socialistische manier. Hij was er heilig van overtuigd dat verbetering van het lot van de arbeiders niet door klassenstrijd en revolutie, maar het beste door samenwerking in de bestaande samenleving gerealiseerd kon worden. Aldus bracht hij een duidelijk christelijk-sociaal perspectief in de sociale kwestie.

Anti-Revolutionaire Partij

Voor een hervormde predikant als Talma was het heel opmerkelijk dat hij zich, in tegenstelling tot velen uit de protestantse bovenlaag, niet aansloot bij de Christelijk-Historische Unie (een afsplitsing van de Anti-Revolutionaire Partij). Bij de Anti-Revolutionaire Partij, waarin gereformeerden de overhand hadden, voelde hij zich vanwege de standpunten op sociaal gebied van die partij veel meer thuis. Kuyper en de zijnen formuleerden sinds het Christelijk Sociaal Congres (1891) tal van voorstellen op sociaal gebied, maar tot concrete resultaten leidde dit lange tijd niet. Om nieuwe wetten in het parlement erdoor te krijgen was eenmaal een parlementaire meerderheid nodig en die kon alleen bereikt worden als verschillende stromingen bereid waren met elkaar samen te werken. Binnen de grote stromingen (confessionelen, liberalen en socialisten) bestond bovendien scherpe verdeeldheid over sociale wetgeving én de uitbreiding van het kiesrecht.

In liberale kring waren velen als voorstanders van de vrije markt afkerig van overheidsbemoeienis. Maar ook in Talma’s eigen antirevolutionaire kring bestond een grote huiver om de staat in het sociale leven meer invloed te geven. Kuyper, de man van ‘soevereiniteit in eigen kring’ en als politicus best wel sociaal bewogen, had er grote moeite mee. Talma moest later als minister tot zijn schade en schande ondervinden hoe het was weerstand uit eigen kring tegen voorstellen te krijgen.

Collectieve verzekeringen

Voor Talma was een collectieve verzekeringsplicht voor arbeiders een cruciaal onderdeel van zijn ideaalbeeld van sociale wetgeving. Arbeiders moesten loskomen van armenzorg, kerkelijke diaconie, maar ook staatshulp. In geval van ziekte, invaliditeit en ouderdom zouden zij niet zonder inkomen behoren te zijn. Daar hadden zij immers door het betalen van premies zelf voor gespaard. Voor de uitvoering van sociale wetten stelde hij Raden van Arbeid, samengesteld uit patroons en werknemers in regionaal verband, in. Er wordt wel gezegd dat dit overlegsysteem de (verre) voorloper van het latere ‘poldermodel’ is geweest. De bestaande politieke stromingen moesten er toen nog niet zoveel van hebben…

Betekenis

Na zijn dood ontstond de ‘Talmamythe’: de minister zou zich vanwege de ongekend felle tegenstand tegen zijn politiek hebben ‘doodgewerkt’. Het is waar dat Talma als minister niet gemakkelijk heeft gehad. Dat Kuyper hem op beslissende momenten liet vallen heeft hem zeer aangegrepen. Inmiddels hebben onderzoeken aangetoond dat zijn vroege dood meer te wijten was aan hartproblemen, die zich al eerder hadden geopenbaard.

Het leek er aanvankelijk op dat Talma als een mislukt politicus de geschiedenis in zou gaan. Dat zijn wetten op lange termijn wel degelijk van belang waren, bleek net na de Eerste Wereldoorlog. De ‘polsslag van de tijd’, een uitdrukking in een troonrede door koningin Wilhelmina uitgesproken, zorgde ervoor dat bijv. het verkrijgen van ‘ouderdomsrente’ in een wet van de katholieke minister Aalberse werd uitgebreid naar niet-arbeiders. Ook andere ‘Talmawetten’, zoals de Ziektewet, werden in de jaren daarna in aangepaste vorm ingevoerd. In de periode na de Tweede Wereldoorlog werd de Algemene Ouderdomswet (1957) van kracht, waardoor voortaan iedere Nederlander vanaf 65 jaar een ouderdomspensioen van staatswege ontving. Het werd gefinancierd door premies die iedere Nederlander met een inkomen, tegelijk met zijn belastingen, aan de staat moest afdragen. De toenmalige minister-president Willem Drees (PvdA) memoreerde daarbij de belangrijk rol van Talma ruim zestig jaar eerder.

Op dit ogenblik is men het erover eens dat de grondslag van ons stelsel van sociale zekerheid met zijn gedeelde verantwoordelijkheid van werkgevers, werknemers en overheid duidelijk op het werk van Talma is terug te voeren. Je kunt dus bepaald niet spreken van een mislukt politicus.

Talma voelde zich als vakbondsman en politicus sterk geïnspireerd door de publicaties van Frederick Maurice, een Britse christen-socialist. Deze gravure is gebaseerd op een schilderij door S. Laurence (1884).

www.victoriaweb.org

Talma (rechts) op een foto ter gelegenheid van een bijeenkomst van Patrimonium, de organisatie waarin hij een leidende rol kreeg.

Het arbeidsverbod voor de vrouw

Min. Talma: Nu, vrouwtje, is het niet prettig, dat de wet U in bescherming neemt en Uw arbeidstijd verkort? Arbeidster: Excellentie, als wij, arbeidsters, zelf mede hadden geholpen om de wet te maken, zouden wij geen bescherming hebben in het leven geroepen die ons ons brood ontneemt.

Deze politieke prent van L.J. Jordaan stond in het Maandblad voor de Vereeniging voor vrouwenkiesrecht (1911).

Op de begraafplaats naast de kerk in Bennebroek bevindt zich het grafmonument van A.S. Talma. Een medaillon met zijn portret wordt geflankeerd door twee geknielde arbeiders.Wikimedia Commons