Gezina van der Molen

Een overtuigd calviniste in een bewogen eeuw

Gezina van der Molen

Gezina Hermina Johanna van der Molen wordt op 20 januari 1892 te Baflo geboren als eerste kind van Jan van der Molen en Geertje Kuik. Vader Jan is er hoofdonderwijzer aan de christelijke school. Daarnaast is hij actief als ouderling in de Gereformeerde kerk, als lid van de Antirevolutionaire partij en later ook als hoofdbestuurslid van het christelijk werkliedenverbond Patrimonium. Hij schrijft bijdragen voor gereformeerde media. Daarin pleit hij voor verbetering van de leef- en werkomstandigheden van arbeiders.

Gezina groeit in Baflo op als buitenkind. Van haar moeder “erft” ze een gevoelsmatig beleefd geloof, van haar vader besef van de waarde van organisaties. Als vader in 1903 benoemd wordt tot schoolopziener (inspecteur) te Dokkum en omstreken, verhuist de familie naar Leeuwarden. Ze gaat er naar de openbare mulo, maar mag daarna van haar ouders niet naar het stedelijke gymnasium. De net opgerichte christelijke kweekschool past haar volgens hen beter. Een meisje moet niet te hoog grijpen in die tijd…

Jan van der Molen (1867-1939), vader van Gezina.

Heemkunde Renkum

Rotterdam/Amsterdam

In 1908 wordt Jan van der Molen voor de ARP (Kiesdistrict Sliedrecht) lid van de Tweede Kamer; hij wordt er onderwijsspecialist. Hij weet als inspecteur overplaatsing te krijgen naar Hillegersberg en in 1909 verhuist de familie dan ook naar Rotterdam. Gezina gaat er naar de christelijke kweekschool. Daarna staat ze incidenteel voor de klas, maar haar voornaamste taak is toch het helpen van haar moeder in het huishouden. In 1911 doet ze belijdenis van haar geloof en is dan belijdend lid van de Gereformeerde kerk. Van actief en passief kiesrecht binnen die kerk is ze als vrouw echter uitgesloten.

Invallen en stage lopen voor de klas, naast helpen in moeders huishouding, blijkt voor Gezina “erger dan een kooi”. Het stuklopen van een verkering, het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en het worstelen met haar seksuele geaardheid leiden tot een gespannen verhouding met haar vader. Het opkomend feminisme is aan gereformeerden niet besteed, maar spreekt haar sterk aan. In 1916 besluit ze de opleiding tot verpleegster te gaan volgen in het Wilhelminagasthuis in Amsterdam, dus niet in het gereformeerde Julianaziekenhuis…. Ze blijkt het werk niet aan te kunnen en stopt na anderhalf jaar. Eind 1917 zit ze op een doodlopend spoor.

Op initiatief van haar moeder trekt Gezina eind 1917 in bij de familie Anema. Professor Anema, een bekende van de Van der Molens, is dan als hoogleraar verbonden aan de juridische faculteit van de VU in Amsterdam. Hij blijkt voor Gezina de ideale mentor. Via hem is ze in staat op het door haar gewenste niveau te spreken over haar geloofs- en levensvragen. Ze ontdekt dat het mogelijk is op minder traditionele wijze calvinist te zijn.

Anne Anema (1872-1966)

Vanaf 1904 hoogleraar burgerlijk recht aan de VU in Amsterdam. In 1921 wordt hij lid van de Eerste Kamer voor de ARP, later wordt hij fractievoorzitter. In 1960 verlaat hij de senaat. Hij is dan 88 jaar en daarmee het oudste parlementslid dat in de Eerste of Tweede Kamer heeft gezeten.

Wikimedia Commons

Haarlem

Nadat in 1917 via wijziging van de grondwet het passief vrouwenkiesrecht is geregeld, en in 1919 ook het actief vrouwenkiesrecht is ingevoerd, wordt op het Tweede Christelijk Sociaal Congres (1919) besloten tot oprichting van de Nederlandse Christen-Vrouwenbond (NCVB). Deze organisatie is protestants, maar niet gebonden aan één kerkgenootschap of politieke partij. Het geeft Gezina de mogelijkheid actief te worden in de Haarlemse afdeling en bestuurservaring op te doen. Met de Anema’s is ze intussen naar Haarlem verhuisd. Ze wordt er ook actief in een organisatie voor christelijke kraamhulp. Voor de NCVB houdt ze door heel Nederland lezingen en ze komt in het landelijk bestuur.

Internationaal

Na een proefperiode volgt in 1920 haar aanstelling als journalist bij het christelijke dagblad De Amsterdammer. Ze ervaart de armoede in de Jordaan en op de Amsterdamse eilanden en probeert hulp te organiseren. Niet alleen binnenslands, maar ook in het buitenland doet ze ervaring op. Ze blijft in de ARP ijveren voor het passief kiesrecht voor vrouwen binnen die partij, waar deze “op bijbelse gronden” tegen is. Als Nederland zich aansluit bij de Volkenbond, wordt ze actief in de Vereniging voor Volkenbond en Vrede. Ze mag in 1924 voor De Amsterdammer naar Genève om de vergadering van de Volkenbond te verslaan. Ze merkt daar dat ze eigenlijk een leek is op het gebied van het volkenrecht. In hetzelfde jaar begint ze als eerste vrouw een rechtenstudie aan de Vrije Universiteit.

Studie en relatie

Ze werkt hard en doet al in 1925 haar kandidaatsexamen, verhuist in 1927 naar Amsterdam en slaagt in mei 1929 voor haar doctoraal. Ze wil verder in de wetenschap.

Als lid van de Nationale Vrouwenraad onderhoudt ze veel contacten buiten haar ARP-milieu. Als gecommitteerde bij landelijke eindexamens ontmoet ze in 1929 haar levenspartner, de rooms-katholieke lerares Mies Nolte. De hechte vriendschap leidt in 1930 tot samenwonen en de relatie duurt tot het eind van haar leven. Voor de buitenwacht geven ze geen aanstoot; in het buitenland kunnen ze zich vrijer bewegen. Vader Jan accepteert Mies als “jongste dochter”.

Gezina van der Molen (links) en haar partner Mies Nolte (1899-1986). Foto genomen rond 1930.

Haarlems Dagblad

Promotie

In 1931 wordt Gezina voorzitter van de CVVA, de Christenvrouwen Volkenbonds Vredesactie, die jaarlijks op 18 mei een vredesmanifestatie organiseert. Ze ziet arbitrage door het Internationaal Hof van Justitie te ’s-Gravenhage als noodzakelijk alternatief voor oorlog, zeker nadat ze de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog heeft bezocht. Bij nieuwe internationale conflicten blijkt de Volkenbond echter geen oplossing te bieden.

In 1937 promoveert Gezina bij prof. Anema op Alberico Gentili and the development of international law. Ze is de eerste vrouw die aan de VU promoveert. Sinds 1934 woont ze met Mies in Heemstede; wat later verhuizen ze naar Aerdenhout. Ze rijdt een eigen auto. Na haar promotie gaat Gezina aan het werk bij de Kuyperstichting, voor een onderzoek naar het werk van Theodorus Beza. Het onderzoek wordt echter nooit voltooid.

Oorlog

De inval van de Duitsers in mei 1940 is voor Gezina een enorme schok. Al snel wordt ze actief met het schrijven van (protest)brieven. Vooral wie oproepen tot acceptatie van het Duitse gezag moeten het ontgelden. Ook tegen het afleggen van de ariërverklaring trekt ze fel van leer. Ze wil op basis van haar calvinistische principes niets weten van “pappen en nathouden”. Zo strijdt ze tegen de nationaal-socialistische ideeën en propaganda. Met haar illegaal verschenen brochure 'Bezettingsrecht' probeert ze de publieke opinie te beïnvloeden en gaat daarin verder dan Anema’s voorzichtige artikelen in De Standaard. De brochure wordt verspreid via de kanalen van Vrij Nederland. Volgens de tekst is koningin Wilhelmina nog steeds het wettige gezag, omdat de Duitsers agressors zijn en daarmee het internationale recht schenden.

Gezina gaat meewerken aan het illegale Vrij Nederland. Met andere medewerkers, onder wie ook Mies, wordt ze in juni 1942 gearresteerd, maar ze worden een paar weken later vrijgelaten. Ze vinden onderdak in Den Haag. In augustus breekt ze met VN na een conflict over een van haar artikelen. Begin 1943 gaat ze meewerken aan de calvinistische verzetskrant Trouw, die bij haar thuis is opgericht. Inmiddels woont ze weer met Mies in Aerdenhout. Daar geven ze een feest ter gelegenheid van hun koperen samenzijn (twaalfeneenhalf jaar), wat voor ophef zorgt in de vriendenkring. Begin 1944 moeten de vriendinnen onderduiken. Het leven in de illegaliteit trekt een zware wissel op beiden. Vooral het sterven van een groot aantal verzetsvrienden grijpt hen aan. In de zomer van 1944 beslist de Trouw-groep de uitgave van het blad door te zetten, ondanks een Duits ultimatum. Als represaille worden 23 gevangen Trouw-medewerkers in Vught geëxecuteerd…

Joodse kinderen

In Amsterdam is Gezina tijdens de oorlog betrokken bij het redden van Joodse kinderen. Die worden ondergebracht in pleeggezinnen en zo overleven vele de oorlog. Nog tijdens de oorlog werkt ze mee aan een wetsontwerp om na de oorlog deze “oorlogs-pleegkinderen” onder verantwoordelijkheid van een rijkscommissie te brengen. Van die direct na de oorlog ingestelde Rijkscommissie Oorlogspleegkinderen (OPK), wordt ze voorzitter. De commissie heeft als taak te beslissen of Joodse weeskinderen “teruggegeven” moeten worden aan de joodse gemeenschap, of bij hun (vaak christelijke) pleegouders moeten blijven. Haar principiële optreden in deze commissie leidt tot grote spanningen. In 1949 wordt de OPK opgeheven.

Juridische loopbaan

Kort na de bevrijding stopt Gezina met Trouw. Ze wordt voorzitter van het ambtenaren-gerecht in Bloemendaal. Ze blijft binnen de ARP strijden voor het passief kiesrecht voor vrouwen (dat er in die partij pas in 1953 komt), krijgt een benoeming als privaatdocent volkenrecht aan de juridische faculteit van de VU en wordt door de Nederlandse regering benoemd in de delegatie naar de Algemene Vergadering van de VN te New York. In 1948 volgt een benoeming als bijzonder hoogleraar aan de VU; tien jaar later wordt ze gewoon hoogleraar, als eerste vrouw in die functie.

In 1961 mag ze haar studieverlof gebruiken voor een reis naar het Midden- en Verre Oosten. In Israël woont ze het begin van het Eichmannproces bij. Ze wordt in 1966 benoemd in het Permanente Hof van Arbitrage in het Vredespaleis te Den Haag. Ze realiseert zich gaandeweg dat zowel nationalisme als religieus fundamentalisme problematisch zijn voor het internationale recht. In mei 1962 gaat ze met emeritaat. In haar afscheidscollege pleit ze voor ontwikkelingssamenwerking om de mondiale armoede te bestrijden en zo een basis te leggen voor volkenrecht en humaniteitsbeginselen.

Gezina van der Molen, de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de VU te Amsterdam.

Ten slotte

Ze blijft strijden tegen discriminatie en apartheid (wat haar binnen de ARP niet door iedereen in dank wordt afgenomen) en maakt nog mee dat in de gereformeerde kerken de ambten voor vrouwen worden opengesteld. Met Mies maakt ze reizen en geniet ze van een comfortabel leven in Aerdenhout. Vanaf de jaren ’70 ondergaat ze de beperkingen van de ouderdom. Dankzij de goede zorgen van Mies kan ze thuis blijven wonen. Op 9 oktober 1978 overlijdt ze daar.