Adelbert

Geloofsverkondiger en inspirator van een belangrijke plek in Holland

Adelbert van Egmond

De monnik Adelbert (of Adalbert of Adalbertus) is afkomstig van de Britse eilanden. Het is niet bekend in welk jaar hij precies is geboren. Dat illustreert het feit dat wij heel weinig over hem weten. Een eerste levensbeschrijving van hem verschijnt pas ruim tweehonderd jaar na zijn dood in 740.

Er wordt aangenomen dat hij van adellijke afkomst is. Als kind wordt hij door zijn vader ter opvoeding naar een klooster gestuurd. Daar besluit Adelbert niet naar huis terug te keren, maar voortaan een leven in dienst van God te leiden. We weten dat hij - net als Willibrord – les van abt Egbert van het klooster Rathmelsigi in Ierland heeft gehad. Egbert heeft dan al enkele mislukte pogingen gedaan het Europese vasteland te bereiken, maar hevige stormen maakten hem dit onmogelijk. Het wekt dan ook geen verbazing dat hij Willibrord en ook Adelbert, als een van diens elf helpers, aanspoort in het jaar 690 vanuit Engeland de Noordzee over te steken. Na aankomst werkt Adelbert als diaken in het kielzog van Willibrord. Hij richt het bekeringswerk vooral op de West-Friezen in Kennemerland, waar hij tal van kerkjes sticht. In latere afbeeldingen wordt hij dikwijls in een dalmatiek afgebeeld, het liturgische kledingstuk van een diaken.

In 740, één jaar na de dood van Willibrord, komt ook hij te overlijden. Boven zijn graf in Egmond verrijst een houten kerkje. Dat wordt in de eeuwen daarna herhaaldelijk door invallende Vikingen verwoest, maar telkens weer opgebouwd.

Begin van de verering

Er gebeuren op die plek verschillende wonderen, waarvan de verhalen later zullen worden opgetekend. Eén verhaal vertelt over een verschijning van Adelbert aan een zekere Wilfsit, een vrouw die haar leven aan God heeft toegewijd (920). Zeker driemaal verzoekt Adelbert aan de vrouw zijn gebeente op te graven om het daarna te kunnen vereren.

Dirk I wordt beschouwd als de eerste graaf van Holland. In 922 ontvangt hij van de Frankische koning Karel de Eenvoudige de kerk te Egmond en de daarbij behorende goederen in het noorden van Holland. Het is deze Dirk I die werkelijk de opdracht tot opgraving van het gebeente geeft. Met resultaat: de overblijfselen van Adelbert worden teruggevonden in een lijkwade, die geheel gaaf is gebleven. Onder het graf wordt bovendien een heldere zoetwaterbron gevonden: de oorsprong van het nu nog bestaande St. Adelbertputje in Egmond-Binnen. Het heilig gebeente wordt overgebracht naar een verderop gelegen plek, waar graaf Dirk I een nonnenklooster met kerk laat bouwen. Deze translatio (of overbrenging) wordt nog jaarlijks op 15 juni door de benedictijnen van de huidige Sint-Adelbertabdij herdacht.

Het begin van de abdij van Egmond

Zijn zoon graaf Dirk II vervangt de houten kloosterkerk door een stenen gebouw. De plaats van de nonnen wordt na een aantal jaren overgenomen door Benedictijner monniken uit Gent. Dirk II laat de relieken van St. Adelbert in een schrijn vatten, die wordt geplaatst op het hoogaltaar van de abdijkerk. De reliekschatten worden vermoedelijk in 973 verrijkt met het gebeente van de priester Jeroen, (door de Vikingen in 856 vermoord) dat kort daarvoor in Noordwijk is opgegraven. De relieken van Adelbert en Jeroen zijn nu in één klooster ondergebracht. Het klooster groeit in de eeuwen daarna uit tot de in heel Europa beroemde St. Adelbertabdij van Egmond.

Zowel het water in de zoetwaterbron als de relieken in de schrijn op het hoogaltaar van de abdijkerk trekken pelgrims aan: blinden, kreupelen en bezetenen trekken naar Egmond om er genezing te vinden. Voor de opeenvolgende graven van Holland is Adelbert hun ‘huisheilige’. Er wordt verhaald over wonderbaarlijke genezingen: zo wordt een dochter van Dirk II genezen van blindheid.

Een zoon van graaf Dirk II is Egbert, die in 977 aartsbisschop van Trier wordt. Als kind vindt hij genezing van hevige koortsen door in aanraking te komen met de relieken van Adelbert. Later als hoge kerkvorst stuurt hij de monnik Ruopert van Mettach naar Egmond om de plaatselijke verhalen over Adelbert vast te leggen. Ruopert verwerkt deze overleveringen tot een ‘vita’ (of biografie), die een belangrijke invloed zal hebben op latere vertellingen over Adelbert.

Na de verwoesting

Tijdens de verwoesting van de abdij door de geuzen in 1573 tijdens de Opstand tegen het Spaanse gezag weten de monniken bijtijds hun uitgebreide reliekschat, waaronder de relieken van Adelbert en Jeroen, in een houten met leer overtrokken koffertje in veiligheid te brengen. In de daarop volgende eeuwen worden de relieken, na eerst gesorteerd te zijn en van opschriften voorzien, in Haarlem bewaard.

Aan het einde van de 19e eeuw worden de relieken overgedragen aan de parochiekerk in Egmond. Na 1950 wordt de heropgerichte benedictijner abdij in Egmond-Binnen het centrum van de Adelbertverering. Na de vele omzwervingen krijgen de relieken van Adelbert er een nieuwe plek. In 1984 wordt de schedel van Adelbert wetenschappelijk onderzocht, gedateerd en zorgvuldig uit kleine brokstukjes gereconstrueerd. Deze krijgt daarna een laatste rustplaats in een plexiglazen schrijn onder het hoofdaltaar in de abdijkerk.

De naamdag van Adelbert wordt ieder jaar nog steeds op 25 juni gevierd. Op de eerste zondag na deze feestdag komen bij de Adelbertusput op de Adelbertusakker parochianen, monniken en pelgrims samen om de eucharistie te vieren. Zij zetten daarmee een traditie voort die in 1923 is begonnen.

St. Adelbertsput in Egmond-Binnen

De St. Adelbertabdij in de middeleeuwen, zoals die volgens een impressie uit de 20e eeuw eruit gezien moet hebben.

Een gereconstrueerde schedel toegeschreven aan Adelbert bevindt zich in een behuizing van plexiglas onder het hoofdaltaar in de abdijkerk.

Foto: Cor Vink